Vandaag wil ik het graag met jullie over Iran hebben. De meeste mensen kijken naar het midden-oosten en stereotyperen dan alles en iedereen tussen Turkije en India. Het is overwegend Islamitisch, Arabisch, olie en terreur. Wat zal blijken is dat de feiten toch een heel stuk genuanceerder liggen. 

De Iraanse revolutie en de nasleep van het jaar 1979 worden vaak gezien als de eerste stap van de creatie van een geïsoleerde fundamentalistische staat die terrorisme ondersteunt. Er is enige waarheid aan deze interpretatie, dat gezegd hebbende, de manier waarop je denkt over de Iraanse revolutie hangt sterk af van het deel waar je naar kijkt omdat het een ander soort revolutie vertegenwoordigt dan waar we het meestal over hebben.

De opstand van 1979 was gericht op het wegwerken van de Pahlavidynastie die indrukwekkend klinkt, maar deze dynastie kende slechts 2 koningen. Reza Shah en Mohammed Reza Shah. Voor de Pahlavi’s wed Iran geregeerd door de Kadjaren en daarvoor, de Safawieden. De Safawieden en Kadjaren waren verantwoordelijk voor twee van de belangrijkste aspecten van Iran. De Safawieden hebben de Shia Islam ingesteld als officiële staatsgodsdienst door Ismael I in 1501 en de Kadjaren gaven de moslim geestelijkheid, de oelama, politieke macht.

In een eerder stuk heb ik al gesteld dat de meeste moslims in de wereld soennieten zijn, maar de Shia of Sjiieten zijn een belangrijke stroming die al heel vroeg, rond 680, begon en tegenwoordig vormen ze de meerderheid van de moslims in Iran en Irak.

De Soenni als ook Shia zijn verder onderverdeeld in talloze verschillende stromingen.
Shia-moslims geloven dat Ali ibn Abi Talib de eerste kalief zou moeten zijn geweest. Soennitische moslims denken dat Abu Bakr, die de eerste kalief was, terecht was gekozen. Sinds die aanvankelijke onenigheid volgenden er meer. Veel leerstellige verschillen, maar het belangrijkste is dat Shia vanaf het allereerste begin zichzelf zag als de partij van de onderdrukten die opstond tegen de rijken, de machtigen en teruggrepen op de sociale rechtvaardigheidsnormen die de profeet Mohammed had gesteld. En dit verband tussen religieus geloof en sociale rechtvaardigheid was uitermate belangrijk voor de Iraanse revolutie van 1979 en voor de eerdere revoluties in Iran. Het is heel belangrijk om juist dit fundamentele aspect te begrijpen, omdat veel historici beweren dat de Iraanse revolutie, wat de journalist Christian Caryl noemde: “een vreemde fusie van Islam en 20e-eeuwse politiek”.

1906 – Tweede Wereldoorlog

Eigenlijk ligt het veel simpeler. Vanuit het perspectief van de Iraanse geschiedenis is dit niet zo vreemd. 1979 was niet de eerste revolutie van Iran . De eerste grote was in 1906 waar de regerende Kadjaren gedwongen werden een grondwet te aanvaarden, een parlement in te stellen en grenzen stelden aan de macht van de koning. Bovendien werd Shia Islam de officiële staatsgodsdienst. De grondwet omvatte ook bescherming van de rechten van minderheden in Iran. Uiteindelijk mislukte het, deels omdat de geestelijkheid hun steun had ingetrokken, deels omdat de Sjah er heel actief tegen was en misschien vooral omdat de Britten en de Russen samenwerkten om Perzië zwak te houden, zodat ze de regio konden blijven domineren.

Wat me eraan herinnert dat de meeste mensen in Iran niet Arabisch zijn, ze zijn Perzisch. En de meeste mensen in Iran spreken geen Arabisch maar Farsi.

Na de eerste wereldoorlog laaide Europese rivaliteiten op in de regio. De ontdekking van olie in het Midden-Oosten speelde hier een grote rol in. De Britten richtten de Anglo-Iraanse oliemaatschappij op die later bekend zou worden als BP. Ze haalden  concessies binnen van de toenmalige shah en ze droeg actief bij verscheidene regime changes. Allereerst steunde BP de militaire commandant Reza Khan in zijn staatsgreep in februari 1921. Reza Khan werd Reza Shah en in 1935 veranderde hij de naam van het toenmalige Perzië in Iran. Hij wilde Iran om vormen tot een moderne seculiere westerse staat. Een beetje zoals Turkije was onder Ataturk. Maar Reza Shah wordt waarschijnlijk het best herinnerd voor zijn overdreven dictatoriale onderdrukking die de geestelijkheid tegen hem deed keren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wed Reza Shah gedwongen af te treden waarna zijn jonge zoon, Mohammad Reza Shah, de leider werd van Iran en Mohammad was shah tot de revolutie van 1979.

Na de Tweede Wereldoorlog stonden de Britten een grotere deelname van de bevolking in de regering van Iran toe. De belangrijkste partij die van deze openheid profiteerde, was de Iraanse communistische partij. Mohammad Mosaddegh werd gekozen tot premier in 1951 en leidde het parlement om de Iraanse olie-industrie te nationaliseren. Dit was de de aanleiding dat het einde van dit democratische experiment inluidde. In 1953 bereidde de Britten, de Verenigde Staten en zelfs ons eigen land een staatsgreep voor om Mossadegh uit zijn ambt te verwijderen. Om deze belangrijke gebeurtenis te begrijpen, moeten we kijken naar de gebeurtenissen die hebben geleid tot 1953.

Tweede Wereldoorlog – 1953

In 1949 probeerde een huurmoordenaar de sjah te doden. Geschokt door de ervaring en aangemoedigd door publieke sympathie voor zijn verwonding, begon de sjah een steeds actievere rol te spelen in de politiek. Hij organiseerde snel een grondwettelijke raad in om de grondwet aan te passen om zijn macht te vergroten. Hij richtte de Senaat van Iran op dat weliswaar onderdeel was geweest van de Grondwet van 1906, maar nooit was geïnstalleerd. De sjah behield zich het recht om de helft van de senatoren te benoemen en hij koos daarom mannen die loyaal aan hem waren.

Mossadegh dacht dat deze toename van de politieke macht van de sjah niet democratisch was; hij vond dat de Sjah zou moeten “heersen, maar niet regeren” op een manier die vergelijkbaar is met de Europese constitutionele monarchieën. Geleid door Mossadegh bundelde politieke partijen en tegenstanders van de sjah’s samen om een ​​coalitie te vormen onder de naam Front National. Olie nationalisatie was een belangrijk beleidsdoel voor deze groep. De reden hiervoor was dat Iran weliswaar enorme oliereserves had maar het had niet veel profijt van deze industrie. Het grootste deel van de opbrengst verdween in de zakken van de oliemaatschappij.

In 1951 had het Front National een meerderheid van de zetels in het parlement bemachtigd. Volgens de grondwet van Iran zou kiest de grootste partij in het parlement een kandidaat-premier, waarna de Sjah de kandidaat zou benoemen. De premier Haj Ali Razmara, die zich op technische gronden verzette tegen de olie-nationalisatie, werd vermoord door de hardline Fadaiyan e-Islam. Het is vanuit een historisch standpunt belangrijk om op te merken dat de spirituele leider, de ayatollah Abol-Qassem Kashani, een mentor was van de toekomstige ayatollah Ruhollah Khomeini. Na een motie van vertrouwen van de meerderheid van het parlement, werd Mossadegh benoemd tot premier van Iran. Voorlopig waren Mossadegh en Kashani bondgenoten, omdat Mossadegh zag dat Kashani de ‘religieuze massa’s’ kon mobiliseren, terwijl Kashani Mossadegh nodig had om een ​​islamitische staat te creëren.

De Fadaiyan van Kashani vielen vaak gewelddadig de tegenstanders van nationalisatie en tegenstanders van de National Front-regering aan, evenals “immorele aspecten”, als onofficiële “handhavers” van de beweging. In 1953 dreef Mossadegh steeds verder af van het gedachtegoed van Kashani, omdat deze bijdroeg aan massale politieke instabiliteit in Iran. Kashani berispte op zijn beurt Mossadegh omdat hij Iran niet “Islamiseerde”, omdat deze laatste een sterke voorstander was van de scheiding van religie en staat.

De sjah en zijn premier hadden een vijandige relatie. Een deel van het probleem vloeide voort uit het feit dat Mossadegh een afstammeling was met de voormalige Kadjaren en de koning van Pahlavi als een usurpator van de troon zag. Maar het echte probleem vloeide voort uit het feit dat Mossadegh een pro-democratische macht vertegenwoordigde die de heerschappij van de sjah wilde temperen in de Iraanse politiek. Hij wilde dat de sjah een ceremoniële vorst zou worden in plaats van een heersende vorst, waardoor de gekozen regeringsmacht de macht zou krijgen over de niet-gekozen sjah. Terwijl de grondwet van Iran de Sjah de macht gaf om rechtstreeks te regeren, gebruikte Mossadegh het verenigde National Front-blok en de wijdverspreide populaire steun voor de olie-nationaliseringsstem, die de Sjah ook ondersteunde, om voorstellen te blokkeren vermogen die de macht van de shah nog meer zouden doen toenemen. Als gevolg hiervan raakte de kwestie van de nationalisatie van olie steeds meer verweven met de pro-democratiebeweging van Mossadegh. Deze situatie duurde voort tot 1952. In dit jaar ontsloeg de sjah Mossadegh en verving hem door Ahmad Qavam, een ex-premier. Maar wijdverspreide protesten door aanhangers van Mossadegh leidden ertoe dat de sjah hem onmiddellijk herstelde als premier.

Olie nationalisatie en toenemende spanningen

Aan het einde van 1951 keurde het Iraanse parlement in een bijna unanieme stemming de nationalisatie van de olie goed. Dit besluit was zeer populair bij de meeste Iraniërs, en genereerde een enorme golf van nationalisme en plaatste Iran onmiddellijk en lijnrecht tegen de Britse belangen. Het handjevol Parlementsleden dat het er niet mee eens was, stemde er uiteindelijk ook voor in het licht van overweldigende steun van de bevolking. Door de nationalisatie werd Mossadegh meteen populair onder miljoenen Iraniërs, waardoor hij werd aangemerkt als een nationale held en hij en Iran centraal stonden in de aandacht van de wereld. Veel Iraniërs voelden dat ze voor het eerst in eeuwen de controle over de aangelegenheden van hun land overnamen. Velen verwachtte ook dat nationalisatie zou resulteren in een enorme toename van welvaart voor Iraniërs.

Groot-Brittannië werd nu geconfronteerd met de nieuwgekozen nationalistische regering in Iran, waar Mossadegh, met krachtige steun van het Iraanse parlement en volk en gunstiger concessionaire regelingen eiste waar Groot-Brittannië zich heftig tegen verzette. Samenvattend was dit de essentie van de hele nationalisatie, gunstigere voorwaarden.

Mohammad Mosaddegh probeerde te onderhandelen met het toenmalige BP, maar het bedrijf verwierp elk compromis. Het plan van Mosaddegh, gebaseerd op het compromis van 1948 tussen de Venezolaanse regering van Romulo Gallegos en Creole Petroleum, zou de winst van olie 50/50 verdelen tussen Iran en Groot-Brittannië. Tegen de aanbeveling van de Verenigde Staten, weigerde Groot-Brittannië dit voorstel en begon direct de Iraanse regering te ondermijnen met als doel deze omver te werpen.

In juli 1951 ging de Amerikaanse diplomaat Averell Harriman naar Iran om een ​​Anglo-Iraans compromis te helpen sluiten. Hij vroeg de sjah om hulp; zijn antwoord was dat “in het licht van de publieke opinie, hij zich op geen enkele wijze tegen nationalisatie zou kunnen opstellen”.

Tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten in oktober 1951, stemde Mossadegh – ondanks de populariteit van de nationalisatie in Iran – in gesprekken met George C. McGhee in met een complexe regeling van de crisis met betrekking tot de verkoop van de Abadan-raffinaderij aan een niet-Britse bedrijfs. Waarbij Iran controle op de winning van ruwe olie zou hebben. De VS wachtten tot Winston Churchill premier werd om de deal te presenteren, met de verwachting dat hij flexibeler zou zijn dan zijn voorganger, maar de deal werd door de Britten verworpen.

De National Iranian Oil Company leed aan verminderde productie, vanwege de Iraanse onervarenheid en het bevel van BP dat Britse technici niet met hen mochten samenwerken, waardoor de Abadan-crisis ontstond. Deze werd verergerd doordat de Britse marine een handelsembargo instelde om Iran verder onder druk te zetten om de oliebedrijven niet te nationaliseren. Desondanks waren de Iraanse inkomsten groter, omdat de winst direct de schatkist van Iran in ging in plaats naar particuliere buitenlandse oliemaatschappijen. Dus hoewel efficiëntie en productie verre van vergelijkbaar was met de oude situatie, verdienden ze alsnog meer geld dan voorheen.

Tegen september 1951 hadden de Britten de productie van olievelden in Abadan vrijwel stopgezet, verboden Britse export naar Iran van belangrijke Britse grondstoffen, waaronder suiker en staal, en de harde valutarekeningen van Iran werden bevroren in Britse banken. De Britse premier Clement Attlee overwoog om met geweld de Abadan-olieraffinaderij te veroveren, maar stelde uiteindelijk in plaats daarvan op een embargo van de Koninklijke Marine, waarbij elk schip werd gecontroleerd op Iraanse olie. Dit werd door de Britten gezien als vervoer van “gestolen goederen”. Bij zijn herverkiezing als premier nam Winston Churchill een nog hardere positie in tegen Iran.

Het Verenigd Koninkrijk heeft zijn anti-nationaliseringszaak tegen Iran voorgelegd aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag; Premier Mosaddegh zei dat de wereld zou leren van een “wreed en imperialistisch land” dat steelt van een “behoeftig en naakt volk“. De rechtbank oordeelde tot veler verbazing dat zij geen jurisdictie had over de zaak. Niettemin bleven de Britten het embargo van Iraanse olie handhaven.
In augustus 1952 nodigde de Iraanse premier Mosaddegh een Amerikaans oliebestuurder uit voor een bezoek aan Iran en de administratie van Truman verwelkomde de uitnodiging. De suggestie bracht Churchill echter in beroering, die erop stond dat de VS zijn campagne om Mosaddegh te isoleren niet ondermijnt: “Groot-Brittannië steunde de Amerikanen in Korea!” herinnerde hij Truman en had het recht om de Anglo-Amerikaanse samenwerking in Iran van zijn partner te verwachtten.

Halverwege 1952 was het Britse embargo tegen Iraanse olie verschrikkelijk effectief. Britse agenten in Teheran “werkten om de regering van Mosaddegh te ondermijnen“, die hulp zocht bij president Truman en vervolgens bij de Wereldbank, maar het mocht niet baten. Iraniërs werden met de dag armer en ongelukkiger en de politieke coalitie van Mosaddegh brokkelde af. Tot overmaat van ramp raakte de voorzitter van het Parlement, Ayatollah Kashani, de belangrijkste geestelijke ondersteuner van Mossadegh, steeds meer tegen de premier, omdat Mossadegh Iran niet in een islamitische staat veranderde. Tegen 1953 had hij zich volledig tegen Mossadegh gekeerd de staatsgreep gesteund, Mossadegh van religieuze steun beroofd, terwijl hij het aan de sjah gaf.

Bij de senaatsverkiezingen in het voorjaar van 1952 had Mosaddegh weinig te vrezen van een vrije stemming, want ondanks de problemen van het land werd hij alom bewonderd als een held. Een vrije stemming was echter niet wat anderen van plan waren. Medewerkers van Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten waren uitgewaaierd over het hele land, kandidaten en de regionale bazen die hen controleerden werden omkocht. Hij hoopte de senaat te vullen met afgevaardigden die zouden stemmen om Mosaddegh af te zetten. Het moest in eerste instantie een staatsgreep zijn met schijnbaar legale middelen. Terwijl het Nationale Front, dat vaak Mosaddegh ondersteunde, handig won in de grote steden, was er niemand die toezicht hield op de stemmen op het platteland. Er brak geweld uit in Abadan en in andere delen van het land waar er fel gestreden werd. Geconfronteerd met het moeten vertrekken van Iran naar het Internationaal Gerechtshof in Den Haag waar Groot-Brittannië Iran daagde over de controle over Iraanse olie, stemde het kabinet van Mossadegh om de rest van de verkiezingen uit te stellen tot na de terugkeer van de Iraanse delegatie uit Den Haag.

Terwijl Mosaddegh de politieke uitdaging aanging, kreeg hij te maken met een andere uitdaging die de meeste Iraniërs als veel urgenter beschouwden. Namelijk de Britse blokkade van de Iraanse zeehavens. Dit betekende dat Iran geen toegang had tot markten waar het zijn olie kon verkopen. Het embargo had tot gevolg dat in Iran tienduizenden hun baan bij de Abadan-raffinaderij hadden verloren en hoewel ze het idee van nationalisatie het meest begrepen en gepassioneerd steunden, hoopten ze dat Mosaddegh een manier zou vinden om ze weer aan het werk te zetten.

Tot overmaat van ramp begon de Communistische Tudeh-partij, die door de Sovjet-Unie werd gesteund en die de Shah slechts vier jaar eerder heeft geprobeerd te doden, het leger te infiltreren en knokploegen te sturen om Mossadegh te steunen” maar in werkelijkheid om alle niet-communistische tegenstanders te marginaliseren. Eerder hadden de Tudeh Mossadegh aangeklaagd, maar in 1953 veranderden ze van richting en besloten hem te “ondersteunen”. De Tudeh vielen tegenstanders met geweld aan, onder het mom van het helpen van de minister-president om onbewust de reputatie van Mossadegh te laten afnemen, ondanks het feit dat hij ze officieel niet heeft goedgekeurd.

Tegen 1953 hadden hij en de Tudeh-partij echter een onofficieël bondgenootschap met elkaar gevormd; de Tudeh waren de “voetsoldaten” voor zijn regering, feitelijk de Fadaiyan in die rol te vervangen, terwijl ze in het geheim hoopten dat Mossadegh het communisme instelde. Pro-Shah-bendes voerden ook aanvallen uit op tegenstanders van Mossadegh.

Pro-Mosaddegh-protesten in Teheran, 16 augustus 1953

Bezorgd over de andere belangen van Groot-Brittannië in Iran, en (dankzij de Tudeh-partij) in de overtuiging dat het Iraanse nationalisme echt een door de Sovjet gesteunde plot was, overtuigde Groot-Brittannië de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Foster Dulles ervan dat Iran naar de Sovjets dreef. Omdat president Harry S. Truman druk bezig was met het uitvechten van een oorlog in Korea, stemde hij er niet mee in om de regering van premier Mohammad Mosaddegh omver te werpen. In 1953, toen Dwight D. Eisenhower president werd, overtuigde het VK de VS om een gezamenlijke staatsgreep te organiseren in Iran.

Laatste maanden van de regering van Mossadegh

Tegen 1953 begonnen de economische spanningen veroorzaakt door het Britse embargo en de politieke onrust een grote tol te eisen van de populariteit en politieke macht van Mossadegh. De mensen beschuldigden hem steeds meer van de economische en politieke crisis. Politiek geweld werd wijdverspreid in de vorm van straatgevechten tussen rivaliserende politieke groeperingen uitgevochten. Mossadegh verloor populariteit en steun onder de arbeidersklasse die zijn sterkste voorstanders waren geweest. Toen hij de steun verloor, werd hij autocratischer. Al in augustus 1952 begon hij te vertrouwen op noodverordeningen om te regeren en controverses te creëren onder zijn aanhangers. Na een moordaanslag op een van zijn ministers en hijzelf, beval hij de gevangenneming van tientallen van zijn politieke tegenstanders. Deze daad veroorzaakte wijdverspreide woede bij een groot deel van het grote publiek en leidde tot beschuldigingen dat Mossadegh een dictator aan het worden was. De niet-officiële alliantie van de Tudeh-partij met Mossadegh leidde tot angsten voor het communisme, en steeds vaker waren het de communisten die deelnamen aan Pro-Mossadegh-rally’s en aanvallende tegenstanders.

Het officiële excuus voor het begin van de staatsgreep was het decreet van Mossadegh om het Parlement te ontbinden na een referendum uitslag van 99% hiervoor, zichzelf en zijn kabinet volledige macht te geven om te regeren, terwijl de sjah van zijn krachten effectief werd ontdaan. Het resulteerde dat hij ervan beschuldigd werd zichzelf ‘totale en dictatoriale macht’ te geven. De Sjah, die de eisen van de CIA voor de staatsgreep had weerstaan, stemde er uiteindelijk mee in het te steunen. Nadat de CIA de instemming van de sjah had verkregen, voerde de CIA de staatsgreep uit.

Bij koninklijke besluit werd Mosaddegh afgezet en generaal Fazlollah Zahedi, een loyalist die Reza Shah had geholpen om Iran decennia eerder te herenigen, aangesteld. Na de decreten te hebben ondertekend en aan generaal Zahedi te hebben afgeleverd, vertrokken hij en koningin Soraya voor een weeklange vakantie in Noord-Iran.

Op zaterdag 15 augustus leverde kolonel Nematollah Nassiri, de commandant van de keizerlijke garde, het koninklijk besluit aan Mosaddegh die hem daarmee had ontslagen. Mosaddegh, die was gewaarschuwd voor het complot, waarschijnlijk door de communistische Tudeh-partij, verwierp het koninklijk besluit en liet Nassiri arresteren. Mosaddegh debatteerde bij zijn proces na de staatsgreep dat onder de Iraanse constitutionele monarchie, de sjah geen grondwettelijk recht had om een ​​bevel te geven voor het ontslag van de gekozen premier zonder de instemming van het Parlement. De toenmalige grondwet maakte echter een dergelijke actie mogelijk, die door Mossadegh als oneerlijk werd beschouwd. De actie werd in de publiciteit gebracht door de CIA en in de Verenigde Staten door The New York Times. De aanhangers van Mossadegh (miljoenen supporters van het Front National en leden van de Tudeh-partij) gingen de straat op in gewelddadige protesten. Na de mislukte couppoging vluchtte de Sjah samen met zijn tweede vrouw naar Bagdad. Onaangekondigd aangekomen, vroeg de Sjah toestemming voor zichzelf en zijn gemalin om een ​​paar dagen in Bagdad te verblijven alvorens door te gaan naar Europa. Na overleg op hoog niveau werden ze naar het Witte Huis, het pension van de Iraakse regering, geëscorteerd voordat ze naar Italië vlogen.

Nadat de eerste couppoging was mislukt, verklaarde generaal Zahedi dat hij de rechtmatige premier van Iran was. Voor hem betekende dat hij tussen meerdere safe-houses moest reizen om arrestatie te voorkomen. Mossadegh gaf opdracht aan veiligheidstroepen om de coupplegers te arresteren en tientallen werden gevangengezet. Hij geloofde dat hij erin was geslaagd en dat hij de regering volledig in handen had. Dit bleek een vergissing te zijn van Mossadegh. Ervan uitgaande dat de staatsgreep had gefaald, vroeg hij zijn aanhangers om terug te keren naar hun woningen. De Tudeh-partijleden voerden niet langer handhavingstaken uit. De CIA kreeg het bevel om Iran te verlaten, hoewel Kermit Roosevelt traag was om het bericht te ontvangen – vermoedelijk vanwege MI6 – en bleef zij anti-Mossadegh-onrust veroorzaken. De regering-Eisenhower overwoog haar beleid te wijzigen om Mossadegh te steunen, waarbij staatssecretaris Walter Bedell Smith op 17 augustus opmerkte: “Wat ook zijn fouten waren, Mossadegh had geen liefde voor de Russen en tijdige hulp zou hem in staat kunnen stellen om het communisme onder controle te houden.

Generaal Zahedi, die nog steeds op de vlucht was, ontmoette de pro-shah Ayatollah Mohammad Behbahani en andere Shah-aanhangers in het geheim. Daar, gebruikmakend van CIA-geld dat bekend staat als “Behbahanodollars”, creëerden ze snel een nieuw plan. Een groot deel van het land was al in shock door de vlucht van de sjah uit Iran, de angst voor het communisme en de arrestaties van tegenstanders door Mossadegh. De Ayatollah Behbahani gebruikte zijn invloed om religieuze demonstranten tegen Mossadegh te verzamelen.

Op 19 augustus huurden zij infiltranten in om een door de Tudeh-partijleden in scene gebrachte ‘communistische revolutie’ te organiseren. Ze kwamen en moedigden echte Tudeh-leden aan om mee te doen. Al snel gingen de Tudeh-leden de straat op om vrijwel alle symbolen van het kapitalisme aan te vallen, bedrijven te plunderen en winkels te vernietigen. Een groot deel van het zakelijke district van Zuid-Teheran, inclusief de bazaars, werd vernield.

Met plotselinge massale publieke afkeer van deze daad, kwam het volgende deel van het plan van Zahedi in actie. Van de vandalistische bazaars, organiseerde een tweede groep betaalde infiltranten, ditmaal met de posende Shah-aanhangers, boze menigten van gewone Iraniërs die doodsbang waren voor een “communistische revolutie” en ziek waren van het geweld.

Tegen het midden van de dag gingen grote menigten van gewone burgers, gewapend met geïmproviseerde wapens, massaal de straat op om de Tudeh-partijleden tegen te houden. Onder het gezag van Zahedi verliet het leger zijn kazerne en verdreef de communistische Tudeh en bestormde vervolgens alle overheidsgebouwen met de steun van demonstranten. Mossadegh vluchtte nadat een tank een granaat in zijn huis had geschoten maar keerde later terug om zich aan het leger over te geven. Om verdere bloedvergieten te voorkomen, weigerde hij een laatste poging om zijn aanhangers te organiseren. Tegen het einde van de dag hadden Zahedi en het leger de controle over de regering.

De sjah verbleef in tussen in een hotel in Italië totdat hij hoorde wat er was gebeurd, waarop hij “smalend verklaarde”: “Ik wist dat ze van me hielden.” Allen Dulles, de directeur van de CIA, vloog terug met de sjah naar Teheran. Zahedi heeft Mosaddegh officieel vervangen. Mossadegh werd gearresteerd, berecht en oorspronkelijk ter dood veroordeeld. Maar op persoonlijke bevel van de sjah werd zijn straf omgezet naar drie jaar eenzame opsluiting in een militaire gevangenis, gevolgd door huisarrest tot aan zijn dood.

Nu hebben we 2 momenten waar de sjiitische geestelijken verandering direct teweeg brachten in Iran. Eerst in 1906 en opnieuw in 1953. Dus laten we verdergaan naar 1979. De Sjah was een autocraat. Hij had een meedogenloze geheime politie, de SAVAK, om afwijkende meningen en dissidenten te bestrijden. In 1975 schafte de shah de twee politieke partijen van Iran af en verving ze door één aan hem loyale partij. Er was een enorme ronde van censuur, arrestaties en foltering van politieke gevangenen die erop wezen dat autocratie in Iran was om te blijven. Maar vóór die gebeurtenissen in 1975, zeg tussen 1962 en 1975, zag Iran op het gebied van economische ontwikkeling en sociaal beleid enorme verbeteringen. In 1963 probeerde de Shah het land te moderniseren iets wat hij de ‘witte revolutie’ noemde. Deze revolutie werd geleid door de monarchie en in veel opzichten was deze succesvol, vooral in het verbeteren van de industrie en het onderwijs. De olie-inkomsten stegen van $ 550mln in 1964 tot $ 20mld in 1976. En de regering van de shah investeerde veel van dat geld in infrastructuur en onderwijs. De bevolking groeide en er ontstond een nieuwe professionele middenklasse.

Deze witte revolutie was niet universeel populair. Het werd bijvoorbeeld tegengewerkt door een bepaalde sjiitische geestelijke, de ayatollah Ruhollah Khomeini. Khomeini sprak zich uit tegen de witte revolutie vanuit het religieuze centrum van Iran, Qom. Een van zijn belangrijkste klachten was dat de hervormingen meer rechten zouden verlenen aan vrouwen, waaronder het recht om te stemmen. Maar hij viel ook de regering aan voor: “Het vervalsen van verkiezingen en andere constitutionele misstanden, verwaarlozing van de armen en de verkoop van olie aan Israël“.In het algemeen vond Khomeini dat een koningenmacht inherent onislamitisch was en Shia-traditie was om die macht te bestrijden.

Dat te hebben gezegd over Khomeini, de revolutie van 1979 begon niet om een ​​islamitische staat te creëren. In het begin was het een vrij typische opstand van ontevreden Iraniërs om de regering omver te werpen die zij als corrupt beschouwden.

Ondanks, of misschien wel vanwege, met olie opbrengsten gefunde, economische groei genoten veel Iraniërs geen daverend economisch succes. Van de universiteiten kwamen er meer en meer afgestudeerden met weinig tot geen kans op een baan. En de mechanisering van de landbouw had voorspelbare resultaten, en een groot deel van de boeren verhuisden naar de grote steden voor werk. Dus ik denk dat het oneerlijk is om te zeggen dat de meerderheid van de demonstranten in 1978 de straat op ging, gemotiveerd waren door een fundamentalistische visie op de islam. Ze waren ontevreden over economische ongelijkheid, repressie en een corrupt regime. Dus waarom herinneren we ons over het algemeen 1979 als een door de sjiitische islam gemotiveerd revolutie? De eerste demonstraties begonnen nadat een Iraanse krant een artikel publiceerde dat kritisch was over Khomeini die destijds in ballingschap in Parijs leefde. Deze eerste demonstraties waren vrij klein, maar toen de overheidspolitie en veiligheidstroepen begonnen te schieten op de demonstranten en een aantal van hen doodden, groeiden de protesten. Telkens wanneer demonstranten protesteerden tegen de gewelddadige behandeling van demonstranten, werd dat beantwoord met een gewelddadige reactie die op zijn beurt meer demonstranten tot gevolg had.

Er was ook veel kritiek op het Westen in deze revolutie. Volgens een vrouw in de demonstratie: “Amerikaanse leefstijlen werden opgelegd als een ideaal, het uiteindelijke doel. amerikanisme was het model. De Amerikaanse populaire cultuur – boeken, tijdschriften, film – had ons land overspoeld als een vloed … We vroegen ons af ‘is er ruimte voor onze eigen cultuur?’

De shah begreep niet waarom zoveel mensen tegen hem protesteerden. Hij dacht dat in eerste instantie dat ze communisten waren of dat ze door de Britten werden gesteund. Hij dacht ook dat alleen het brengen van welvaart genoeg zou zijn om hem aan de macht te houden. En op 16 januari 1979 verliet hij Iran voorgoed.

Uiteindelijk belandde hij in de Verenigde Staten, wat ongelukkige gevolgen had voor de diplomatieke betrekkingen tussen de twee landen. Maar het punt hier is dat het eerste deel van de Iraanse revolutie een relatief vreedzaam protest was, gevolgd door hardhandig optreden door de regering, gevolgd door nog grotere protesten die uiteindelijk leidden tot de ineenstorting van de monarchie. En dat ziet er een beetje bekend uit. Vooral als je de Franse, Russische of zelfs de Amerikaanse revolutie kent.

Nasleep

De meeste geleerden zijn het erover eens dat de revolutie niet over de islam ging, maar “de ontevredenheid over de levensomstandigheden, loonsverlagingen en de dreiging van werkloosheid vermengd met de algemene ontgoocheling en woede tegen het regime“.

De nieuwe Islamitische Republiek van Iran was gebaseerd op Khomeini’s idee wat een islamitische regering zou moeten zijn. Centraal in deze nieuwe vorm van overheid was dat een sharia-wetgeleerde de uiteindelijke autoriteit zou hebben, omdat hij kennis had van wet en rechtvaardigheid. Er zou een wetgevende macht, een president en een premier zijn, maar elk van hun beslissingen zou kunnen worden overruled door de hoogste geestelijk leider. Khomeini was dit van 1979 tot aan zijn dood. Als democratie alleen draait om het houden van verkiezingen, dan was het nieuwe Iran een democratie. Ik bedoel, Iran heeft verkiezingen voor zowel president als parlement. En ondanks de bezwaren van Khomeini in de jaren zestig, hadden vrouwen het recht om te stemmen en dat doen ze. Ze dienen ook in het parlement en in het kabinet van de president. Met een referendum is er uiteindelijk besloten een ​​islamitische republiek te creëren. Een overgrote meerderheid van de Iraniërs, in een vrije en open stemming, stemde hiervoor. Maar in zekere zin is Iran beslist geen democratie. De ultieme autoriteit, vastgelegd in de grondwet, is niet de wil van het volk maar van God. Dit wordt vertegenwoordigd door de allerhoogste religieuze leider. De acties van de Islamitische Republiek, vooral in de vroege chaotische dagen van 1979 maar ook sindsdien, voldoen niet aan de meeste ideeën van democratie hoe wij dat kennen. Een van de eerste dingen die Khomeini deed om zijn steun te vergroten was het creëren van de Iraanse revolutionaire garde en Hezbollah om de revolutie tegen couppogingen te verdedigen. Hoewel er oppositiepartijen waren, werden hun activiteiten ingeperkt door de nieuwe revolutionaire rechtbanken die de sharia op een bijzonder harde manier toepasten. Naar schatting zijn in oktober 1979 enkele honderden mensen geëxecuteerd. En onder de nieuwe grondwet kreeg Khomeini uitgebreide macht.

Hiermee bedoel ik dat hij hoofden van de strijdkrachten, de revolutionaire garde, nationale tv en radiostations mocht benoemen. Hij keurde ook de kandidaten voor presidentsverkiezingen goed en benoemde hij 6 van de 12 leden van de raad die wetgeving van het parlement goedkeurt alvorens het wet werd. Dus structureel leek de Iraanse regering op andere regeringen maar zoals Michael Axworthy opmerkt: “Boven alles stond de Faqih, met de macht en de verantwoordelijkheid om rechtstreeks uit naam van de islam in te grijpen en tussenbeide te komen; Met grotere bevoegdheden dan die werden gegeven aan de meeste monarchen in constitutionele monarchieën“.

Hedendaagse Iran

Tegen 1979 had Iran al een lange geschiedenis van administratieve betrokkenheid bij protesten en dynamische verandering, maar ook een lange geschiedenis die aandrong op grondwetten en vrijheid. Het huidige resultaat is de islamitische republiek Iran. Maar het is belangrijk om te onthouden dat beide lijnen uit de geschiedenis nog steeds deel uitmaken van het Iraanse leven. We zagen dat in 2009 en 2010 met de “groene revolutie“, waar er enorme protesten waren na een Iraanse verkiezing. Bij deze protesten pleitte jongeren voor meer rechten en vrijheden, maar ze werden ook geleid door en aangemoedigd door hervormingsgezinde sjiitische geestelijken.

Als we aan de Iraanse revolutie 1979 denken herinneren we ons het verbranden van Amerikaanse vlaggen en het nemen van gijzelaars in de Amerikaanse ambassade. Dat behoorde meer tot de tweede fase van de revolutie, de chaotische periode waarin de islamitische republiek werd geboren. Het leven in de Islamitische republiek Iran blijft zeer repressief. Ik bedoel, Iran executeert nog steeds een zeer hoog percentage criminelen. Maar het klopt niet om te zeggen dat Iran slechts een dictatuur is of slechts repressief. De uitdaging voor de mensen in het westen die Iran proberen te begrijpen, is dat de verschillende aspecten van de revolutie uit elkaar moeten halen om ze te kunnen begrijpen, in plaats van te vertrouwen op de beelden die een heel beperkt beeld schetsen.

 

 

Vond je dit artikel goed? steun de auteur via Blendle

Zou je dit blog met anderen willen delen?
0
Ahmed Aarad

Written by Ahmed Aarad

Bestuurder bij stichting Open Source & Overheid, freelance ICT en Aanbestedingsjurist, distantieert zich van rechts/links denken heeft het liever over goed of fout en vindt dat integriteit niet te leren is. “If you are not a better person tomorrow than you are today, what need have you for tomorrow?”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *