Graag deel ik met jullie een artikel uit mijn oude krantenverzameling dat over Europese eenwording gaat. De Unie, de wekelijkse krant van de Nederlandsche Unie. De Nederlandsche Unie was een politieke partij die werd opgericht door  Louis EinthovenJohannes Linthorst Homan en Jan de Quay op 24 juli 1940. “Het doel van de Unie was, onder erkenning van de gewijzigde politieke verhoudingen in Nederland en Europa, en in samenwerking met de Duitse en Nederlandse autoriteiten, een maatschappij op te bouwen op basis van een brede nationale samenwerking, een harmonische structuur en sociale rechtvaardigheid.”

Zelfs in 2017 is dit stuk nog steeds relevant. Ik raad je aan om Duitschland te vervangen met de EU.

De tegenwoordige positie van ons land brengt mee, dat de vraag naar de verhouding Nederland-Duitschland de kern vormt van alle andere vragen.

Het antwoord op deze vraag immers kan van beslissende betekenis zijn voor de toekomst van ons volk.

Het kan daarbij interessant zijn om na te gaan, hoe in vroeger eeuwen die verhouding geweest is en hoe de tegenwoordige verhouding gegroeid is  in een langdurig proces, waarin de werderzijdsche belangen nu eens samenvielen, dan weer fel tegen elkaar opbotsen.

Er schuilt echter in dit alle een gevaar. Want altijd is de geschiedenis misbruikt geworden in de phrasen van redenaars en in de politieke plannenmakerijk. Iedere nieuwe ideologie zoekt naar contactpunten in het verleden, die schijnbaar een rechtvaardiging kunnen geven aan haar streven. Altijd echter is dit een miskenning van het wezen der geschiedenis. Het historisch inzicht kan ons ervoor hoeden, dat onze kijk op leven en wereld niet verstrikt raakt in den ban van het tijdelijke. Het leert ons, dat hetgeen door menschenhanden kan veranderd worden. Maar elk beroep op de geschiedenis, dat het heden rechtvaardigen moet omdat het vroeger zoo was, is valsch. Want niet de vraag, of een streven vroeger bestaan heeft of niet, rechtvaardigt het, maar alleen de vraag, of het juist en goed is.

Er is een tijd geweest, dat Nederland en Duitschland dichter bij elkaar hoorden dan tegenwoordig. Dat was in den tijd, dat een deel der Nederlanden deel uitmaakte van het Heilige Roomsche Rijk, den tijd der vroegere middeleeuwen, waarin graven en hertogen van deze lage landen dienstplichtig waren aan den Keizer van het Heilige Roomsche Rijk.
Het is deze tijd, waaraan zij, die in de toekomst Nederland en Duitschland gaarne zoo nauw mogelijk wenschen te zien samengaan, bij voorkeur terugdenken. En zover gaan zij daarbij, dat zij de gebeurtenis van het jaar 1549, toek Keizer Karel V de Nederlanden ook staatsrechtelijk zelfstandig verklaarde door de Pragmatieke Sanctie, beschouwen al een losscheuring van de Nederlanden van het Duitsche Rijk.
Tegen een dergelijken uitlegnu van de geschiedenis moeten wij met klem protesteren. Hier demonstreert zich een tekort aan historisch inzicht, een verlangen om de geschiedenis dienstbaar te maken aan politieke verlangens van het oogenblik.

Vooraf moet worden vastgesteld, dat enerzijds het vroegere Heilige Roomsche Rijk niet kan gelijk gesteld worden met het tegenwoordige Duitschland. De grondlegger daarvan, Karel de Groote, kan wellicht met meer recht Nederlander dan Duitscher worden genoemd. Anderzijds is het goed er aan te herinneren, dat het juist in de middeleeuwen zoo belangrijke Vlaanderen nimmer tot het Duitsche Rijksverband heeft behoord, maar een leen was van de Fransche kroon en tegen die Fransche kroon eeuwenlang streed om het behoud van eigen taal en karakter.
Slechts het Noorden heeft in naam langeren, in werkelijkheid korten tijd tot het Heilige Roomsche Rijk behoord. Om die naam afhankelijkheid te handhaven was een zeer ingewikkeld spel noodig  van politieke intrige, van dreiging met machtsmiddelen eerst en gunstbewijzen daarna, om ten slotte toch te stranden op den zelfstandigheidsdrang van den Hollandschen graaf en den Brabantschen hertog. En terecht concludeert Dr. Krekel dan ook in zijn onlangs verschenen brochure: Politik und Seele Hollands, dat sinds 1250 de geschiedenis Nederland en Duitschland eigen wegen heeft doen gaan.

Wel is dit dus een andere kijk op de historische ontwikkeling, dan die welken de Deutsche Zeitung onlangs over de gebeurtenis van het jaar 1549 gaf en die het blad kentekenend noemde: Het verraad van Habsburg.

Het rad der geschiedenis draait nooit terug. Zeven eeuwen gescheiden ontwikkeling laten zich niet met een streep ongedaan maken. Het kan nuttig zijn zich te bezinnen op wat verbindt, maar wie de reële verschillen tracht te verdoezelen zal in het einde mislukken. Hem zal blijken niet op de werkelijkheid, maar op droombeelden te hebben gebouwd.

Zeven eeuwen eigen ontwikkeling hebben aan beide zijden van de grens een volk doen groeien, verschillend van karakter en cultuur, verschillend door historische ontwikkeling en hedendaags levensbesef. De grootste momenten uit onze geschiedenis zijn aan Duitschland voorbijgegaan, zonder dat dit er deel aan had. Onze heldhaftige vrijheidsstrijd viel in een tijd, toen het Duitsche Rijk verzwakt was door inwendige verdeeldheid en de Europeesche grootheid van onze Gouden Eeuw vond er nauwelijks weerklank.
Zo is tusschen Nederland en Duitschland een grens komen te loopen, die niet alleen van politieken, maar nog veel meer van volkskundige aard is. De politieke grens kan men wegvagen. Door menschenhanden ontstaan, kan zij door menschenhanden vernietigd worden. Kanonnen en vliegtuigen overschrijden haar.

Maar de volksgrens blijft. Die is niet gemaakt door menschenhanden, maar gerijpt in een natuurproces van eeuwen. Daarom blijft die. Want alles kan de mensch, maar aan de natuur is hij onderdaan. Deze grens blijft, die het erf zijner vader getrouw blijft.

Het is goed, dit alles te bedenken in een tijd waarin de roep van lotsverbondenheid en gemeenschap zoo luide klinkt over de wereld.
Ordening in de internationale verhoudingen en samenwerking der volkeren, het zijn gedachten die gemakkelijk ingang vinden bij een volk, dat een zijner grootste zonen, Hugo de Groot, den grondslag zal leggen voor het internationale volkenrecht.
Maar een voorwaarde moet daarbij vervuld worden. Een voorwaarde, die geldt als absoluut en waarop alle ordening strandt, als zij niet wordt vervuld. Die voorwaarde is: de volstrekte eerbiediging van iedere volkspersoonlijkheid. Dat wil zeggen, dat men als volkomen vrije zelfstandige volken, met volstrekte eerbiediging van wederzijdsch karakter, samen kan werken aan een gemeenschappelijke taak.
Beter dan met de Deutsche Zeitung verstaan wij ons daarom met de Agrarrundschau, waarin in een artikel over: Europäische Volksgemeinschaft oder Volkerengemeinschaft gezegd wordt: “Een nieuwe ordening van Europa moet in overeenstemming zijn met de cultureele en nationale levensbehoeften van de Europeesche volkeren en een gezonde op elkaar afgestemde ontwikkeling waarborgen”.

Als ons volk hierover maar zekerheid heeft, dan zal het niet wachten, maar de kans grijpen om mee te bouwen aan een nieuwe Europeesche orde. In een orde, waarin de vrijheid van ieder volk wordt erkend, maar waar die vrijheid tevens begrepen wordt al de plicht tot een eendrachtige samenwerking in een belangengemeenschap die ons allen verbindt.

Vond je dit artikel goed? steun de auteur via Blendle

Ahmed Aarad

Written by Ahmed Aarad

Bestuurder bij stichting Open Source & Overheid, freelance ICT en Aanbestedingsjurist, distantieert zich van rechts/links denken heeft het liever over goed of fout en vindt dat integriteit niet te leren is. “If you are not a better person tomorrow than you are today, what need have you for tomorrow?”

2 comments

  1. “Ik raad je aan om Duitschland te vervangen met de EU”. Dit is naar mijn mening niet nodig omdat Duitsland de baas in en van de EU is.
    En verder is het bijzondere aan “De Nederlandse Unie”, de politieke groepering, dat die partij tijdens de oorlog door een meerderheid van de Nederlandse bevolking werd gesteund. Onder grote delen van de bevolking bestond er een nuchterheid, als je dat zo kan noemen (je kan het evengoed lafheid noemen) over de ontstane situatie door de bezetting. In de eerste jaren na de oorlog erkende men het pragmatisme nog wel, maar later werd de Unie beschouwd als een collaborerende partij. De Quay kon zelfs in 1959 nog MP worden maar toen hij stierf in 1985 kleefde er toch de smet van collaboratie aan de man. Al met opmerkelijk hoe de perceptie was in de jaren 70 en daarna van hoe de (niet joodse) Nederlander zich tijdens de oorlog gedroeg ten opzichte van de bezetters. En als je als politieke partij kan zeggen dat “de volstrekte eerbiediging van iedere volkspersoonlijkheid. Dat wil zeggen, dat men als volkomen vrije zelfstandige volken, met volstrekte eerbiediging van wederzijdsch karakter, samen kan werken aan een gemeenschappelijke taak.” in de wetenschap dat de Duitsers hun Jodenvraagstuk al lang en breed op de rol hadden staan en het uitmoorden van Joden al lang en breed aan de gang was dan is dat toch opmerkelijk. Of was dat toen hetzelfde als wat onze machthebbers en zij die tegen de macht aanschurkten nu ook zeggen wanneer zij wegkijken van de misdaden die nu begaan worden door bevriende heersers. “Het is de economie”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *