6 0
Read Time16 Minute, 12 Second

Dit artikel maakt deel uit van een serie; hier vindt u de eerdere delen.

Een incompetente overheid is erg, een kwaadwillende overheid is rampzalig.

Veel ellende in de Schilderswijk kon ik nog (gedeeltelijk) toeschrijven aan incompetentie bij de gemeente Den Haag; bij onderstaand verhaal lukte dit mij niet meer. Ik kan niet anders concluderen dan dat de gemeente de kleine middenstanders in de Schilderswijk doelbewust en meedogenloos heeft laten creperen.
Ik heb geprobeerd om het allemaal zo kalm en feitelijk mogelijk op te schrijven, maar het is een tragisch verhaal. Wie tijdens het lezen al die kleine winkeltjes in de Schilderswijk voor ogen houdt, ziet ze langzaam verzuipen.

Een nota en een brief

In juni 1957 stuurde het Nederlands Verbond van Middenstandsverenigingen (NVM) een nota aan de gemeente Den Haag. Het NVM had onderzocht wat de gevolgen voor de middenstand zouden zijn als de gemeente wijken zou gaan saneren. Het verbond stelde vast dat bedrijven hierdoor ernstige schade zouden lijden en dat de bestaande regelingen hier niet op berekend waren. Een gemeentelijke verordening zou uitkomst kunnen brengen.[i]
Wat er met deze nota is gebeurd…? Hij is netjes gearchiveerd en blijkbaar is er verder niet meer naar omgekeken.

Tien jaar later – op 18 mei 1967 – stuurde het Haags Middenstands Besturen College (HMBC) een brief.[ii] Leest u even mee.

Dit ging over al die kleine bedrijfjes die ooit gevestigd waren in de Schilderswijk. De bakkers, de slagers, de kroegen: die kleine zaakjes waar arme Schilderswijkers vaak op de pof mochten kopen. Het waren ontmoetingsplekken waar de wijk leefde. Dit waren geen rijke zakenlieden, dit waren kleine middenstanders: vaak familiebedrijfjes die weinig reserves hadden.

Het HMBC legde uit dat de bestaande regelingen geen uitkomst boden voor de getroffen middenstanders en stelde dat de gemeente hierin een verantwoordelijkheid had; tenslotte kwamen de bedrijfjes in de problemen door de werkzaamheden van de gemeente. Namens de middenstanders drong men aan op een aanvullende regeling om de ondernemers door deze moeilijke tijd heen te helpen.

De nota uit 1957 die exact deze problemen voorspeld had, was blijkbaar vergeten. De brief van het HMBC werd besproken in de raadsvergadering van 5 juni 1967 en wethouder Hijlkema (PvdA) stelde voor om de zaak eerst te laten behandelen in twee commissies. Vervolgens zou een preadvies uitgebracht moeten worden waar de raad zich dan weer over kon buigen.
Zijn voorstel werd aangenomen.[iii]

Ambtenaren en commissies

Op 25 juli 1968 – veertien maanden na de eerste brief – stuurde het HMBC een nieuwe brief.[iv] Waar bleef de gemeente? In heel wat scherpere bewoordingen schetste de brief de steeds wanhopiger toestand waarin de middenstanders verkeerden en sprak de gemeente aan op haar beleid.

De brief werd besproken in de gemeenteraad, en Haarman (Boerenpartij) herinnerde zich dat er vorig jaar ook een dergelijke brief was geweest. En was toen niet een preadvies beloofd?
Wethouder Hijlkema (PvdA) erkende dat dit het geval was en beloofde dat het preadvies in september zou komen.[v]

Was er dan helemaal niets gebeurd in dat jaar? Zeker wel.
Hoge ambtenaren hadden stukken geschreven. Ir. F. van der Sluys – hoofd van de gemeentelijke dienst stadsontwikkeling – constateerde dat de Schilderswijkers inderdaad tussen allerlei regelingen in vielen, wat hij overigens al in de nota van 1957 had kunnen lezen. De gemeente zou regelingen kunnen treffen, aldus Van der Sluys, maar dat zou een hoop geld kosten. Bovendien: die bedrijfjes waren zo klein. Was het niet onvermijdelijk dat ze toch over de kop zouden gaan?[vi]

De Ambtelijke Contactgroep voor Economische Aangelegenheden stelde voor om een nieuwe commissie te installeren. Een vertrouwenscommissie.[vii]

U leest het goed. Het doel van deze commissie was niet om Schilderswijkers te helpen zodat ze in hun eigen wijk hun onderneming voort zouden kunnen zetten. Er was geen sprake van een regeling of financiële tegemoetkoming waardoor de ondernemers vol zouden kunnen houden tot de sanering voltooid was. Het doel van deze commissie was dus niet om de bedrijfjes te helpen overleven; het doel was om de middenstanders een routebeschrijving naar de uitgang te geven. Advies over verplaatsing of beëindiging van hun bedrijf.

De commissies vergaderden en vonden de nieuwe commissie een goed idee. Wethouders schreven brieven over de plannen en vooral een brief van wethouder Bol (CDA) van Economische Zaken maakte duidelijk hoe men achter de schermen dacht.[viii]

Een inkijkje

De brief van wethouder Bol was gericht aan zijn collega, wethouder Hijlkema (PvdA). De datum van de brief was 17 mei 1968, een jaar na de eerste noodkreet van de middenstanders. Citaten uit de brief cursief, onderstrepingen van mij.

In de komende decennia zal een groot gedeelte van onze stad voor sanering en reconstructie in aanmerking komen, waardoor op veel grotere schaal ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf geconfronteerd zullen worden met een situatie waarin het algemeen belang voor allen min of meer grote offers in de particuliere sfeer vraagt en voor velen zelfs het offer van bedrijfsliquidatie.
Bij zo’n formulering vraag je je af welke offers deze wethouder zelf bracht voor ‘het algemeen belang.’ Was hij bereid zijn eigen familiebedrijf op te offeren voor het hoge doel van de sanering? Was hij bereid om zijn inkomen op te geven voor een mooie nieuwe wijk waarin hij zelf niet meer zou kunnen wonen? De wethouder vroeg vanuit zijn gerieflijke positie wel erg makkelijk offers van anderen.

Daar in dergelijke omstandigheden de overheid al snel het stempel op zich gedrukt weet van het al te makkelijk voorbijgaan aan de bedreigde particuliere belangen verdient het m.i. aanbeveling dat de gemeente niet aarzelt initiatieven te nemen of te ondersteunen waardoor een dergelijk misverstand voorkomen wordt.
Dat wethouder Bol in de vorige zin schaamteloos voorbij ging aan de particuliere belangen van de kleine middenstanders was hem blijkbaar ontgaan. Een dergelijk ‘stempel’ zou ik geen misverstand noemen, maar een juiste conclusie. En met wat voor initiatieven wilde Bol dit ‘misverstand’ voorkomen?

Het oprichten van een vertrouwenscommissie door de KvK en de gemeente gezamenlijk is een dergelijk initiatief. Medewerking door de gemeente aan de oprichting moet in dit licht bezien worden en vertegenwoordigt een belangrijke immateriële waarde.
Het eigenlijke doel van de vertrouwenscommissie was voor deze wethouder: het beschermen van de goede naam van de gemeente. Let ook op het woord ‘immateriële’: het was natuurlijk niet de bedoeling om de middenstanders werkelijk hulp te bieden, het ging om de beeldvorming.

Het voorkomt dat er een controverse manifest wordt tussen de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het uitvoerend ambtelijk apparaat dat nu eenmaal met beperkte middelen en mogelijkheden moet werken. Het eenzijdig instellen van de commissie door de KvK wekt het gevaar dat de commissie zich uitsluitend stelt achter de belangen van de betrokkenen waardoor de gemengde doelstelling niet volledig of moeilijker duidelijk wordt.
Voor de zekerheid legde Bol nog even uit waarom er ook ambtenaren in de vertrouwenscommissie moesten zitten: stel je voor dat deze commissie werkelijk op zou gaan komen voor de belangen van de middenstanders! DAT was niet de bedoeling. Die ambtenaren moesten zorgen dat de commissie de belangen van de gemeente niet uit het oog zou verliezen.

Gezien de dubbele doelstelling van de adviserende functie welke de vertrouwenscommissie in mijn opvatting heeft – en het verband met de diep ingrijpende sanering – zal de gemeente de kosten van advisering voor haar rekening moeten nemen.
Dubbele doelstelling, dat is een aardige uitdrukking. De openlijke doelstelling – op zich al dubieus – was om de middenstanders naar beëindiging van hun bedrijfjes te begeleiden. De verkapte doelstelling was om het gezicht van de gemeente te redden. En dat laatste mocht wat kosten.

De financiële lasten hiervan moet men stellen tegenover de baten die de gemeenschappelijke aanpak van bedoelde problematiek aan tijdwinst en goodwill voor ons oplevert.
Creperende middenstanders geldelijke steun geven om door een moeilijke tijd heen te komen, dat kon niet. Maar geld uitgeven om tijdwinst te boeken en goodwill voor de gemeente te kweken, dat was natuurlijk goed besteed.

Lees ik deze brief nu zo negatief mogelijk? Misschien. Maar als dit niet was wat wethouder Bol bedoelde, hoe kan het dan zijn dat dit precies was wat er gebeurde?

Tijdrekken

In maart 1974 schreef Du Chatinier (CDA) een notitie[ix] over de middenstanders in de saneringswijken waarin hij terugblikte. Het was een verhaal van bureaucratie, nepoplossingen en tijdrekken. Veel tijdrekken.

In december 1970 hadden twee raadsleden een motie ingediend over de problemen van de middenstanders waarin ze vroegen om een steunfonds voor ‘in wezen gezonde bedrijven die in tijdelijke moeilijkheden zijn geraakt.’
Het College van Burgemeester en Wethouders besloot – en de Raad ging hiermee akkoord – over deze motie een preadvies uit te brengen. Op 8 oktober 1971 dienden Burgemeester en Wethouders een voorstel in tot instelling van een steunfonds voor het midden- en kleinbedrijf.
8 oktober 1971. Weer een jaar erbij. En wat hield dat steunfonds in? Dat betekende dat de middenstanders tegen iets gunstiger voorwaarden een lening konden afsluiten bij de Gemeentelijke Kredietbank.
Zomaar gratis geld weggeven? In een volgend artikel zullen we zien dat de gemeente Den Haag daar heus wel toe in staat was, maar niet aan kleine middenstanders in de Schilderswijk. Die mochten hooguit lenen en daarna alles terugbetalen, al was de dramatische daling van hun inkomsten rechtstreeks te wijten aan handelen van de gemeente.

Du Chatinier schreef in 1974 dat de afname van het aantal detailhandelszaken alarmerend was, en dat hij zich afvroeg of de bestaande regelingen voldoende uitkomst boden (spoiler: dat boden ze niet, zoals in 1957 en 1967 al was gebleken). Verder hekelde hij de slechte informatievoorziening vanuit de gemeente. Beloofde informatiezittingen waren er nooit gekomen net als de – eveneens beloofde – overlegrondes met winkeliersverenigingen. Zelfs hierin had de ‘vertrouwenscommissie’ blijkbaar weinig bijgedragen.

Begin 1975 werd een ontwerpnota uitgebracht over de sanering. Daarin stond dat in de Schilderswijk ‘het aantal detailhandelsvestigingen sedert 1969 met circa 30% is verminderd, hetgeen mede een gevolg is van de stedebouwkundige sanering van een deel van deze wijk.’[x]
De Haagse Ondernemersfederatie besprak de ontwerpnota in een brief van 3 juni 1975 en uitte beleefde kritiek op het gemeentebeleid. Na een korte bespreking van de enorme schade die de middenstanders al hadden geleden schreef de federatie: In verband met het hierboven vermelde, dient de opmerking te worden geplaatst dat het gemeentebestuur – althans naar buiten – geen blijk heeft gegeven dat men een duidelijke visie heeft ontwikkeld ten aanzien van de stadsvernieuwing waarbij ook het bedrijfsleven nauw is betrokken.[xi]

En natuurlijk was het niet ‘alleen maar’ de sanering. In 1982 verscheen een rapport van onderzoeker Max Jeleniewski die terugkeek en schreef: Met het stagneren van de autochtone winkels in het gebied rond de Hoefkade – door draagvlakvermindering en een gewijzigde bevolkingssamenstelling – kwamen er in de jaren 70 steeds meer etnische ondernemingen in de buurt. In 1982 telde hij in de Schilderswijk bijna 200 ‘etnische’ ondernemingen.[xii]
De omvolking van de wijk zorgde dat het klantenbestand van veel Nederlandse middenstanders nog verder inkromp. Moslims wilden geen slager met speklapjes, maar een halalslager. Ze wilden geen kroeg waar alcohol werd geschonken, maar een koffiehuis. De slachting onder de oude bedrijfjes was dus nog erger dan uit de statistieken bleek.

(Beloftes van) regelingen

Inmiddels kon de gemeente niet meer om alle kritiek heen en op 1 december 1975 kreeg de gemeenteraad zowaar een concept-verordening voorgelegd: de verordening tegemoetkoming kleine zelfstandigen 1975.[xiii] De gemeente erkende dat de schade voor de middenstanders in de oude wijken zo groot was en de bestaande regelingen zo ontoereikend dat er toch iets moet gebeuren. Maar om ‘budgettaire redenen’ werd de hoogte van de tegemoetkoming gelimiteerd tot 21.000 gulden.
Raadsleden van links tot rechts waren behoorlijk kritisch. Cadèl (PvdA) noemde de tegemoetkoming een dode mus voor de kleine middenstanders in de oude stadswijken. Zijn fractie was alleen bereid met de regeling akkoord te gaan – dan was er tenminste alvast iets – als de gemeente binnen een half jaar met een betere regeling zou komen. Nyquist (VVD) sloot zich bij hem aan; hij noemde de 21.000 gulden een zodanige habbekrats dat het idioot zou zijn van een zelfstandige als hij hiervoor bleef doorwerken. Ook hij stelde verbeteringen voor.

Op 10 december 1975 reageerde wethouder Van der Weide (CDA). De gemeente had helaas onvoldoende instrumenten om de onvermijdelijke daling van het aantal middenstandsbedrijven te stoppen. Hij kon zich voorstellen dat de raad een betere regeling wilde, maar daartoe miste de gemeente de financiële mogelijkheden. Wellicht zou de toekomstige Wet op de Stadsvernieuwing mogelijkheden openen – men zag liever het Rijk betalen – en verder kwam er nog een uitbreid detailhandelsonderzoek. Daaruit zouden naar verwachting gegevens beschikbaar komen welke kunnen leiden tot gerichte aanpassingsmaatregelen.[xiv] Tijdrekken, dus.

Kwam daarmee hulp voor de middenstanders?
Natuurlijk niet. Een jaar later – november 1976 – uitten raadsleden scherpe kritiek omdat de gemeente eerst de uitkomsten van het detailhandelsonderzoek wilde afwachten voordat actie ondernomen kon worden… Geleijnse (PPR) merkte bitter op: ‘Op een bepaald moment zullen de problemen wel opgelost zijn, omdat er geen detailhandel meer is.’[xv]
Cadèl (PvdA) wilde een motie indienen om de gemeente tot spoed te manen, maar burgemeester Schols en twee wethouders – Hardon (PvdA) en Van der Weide (CDA) – wisten hem over te halen om de motie aan te houden met de plechtige belofte dat binnen een half jaar een nota uit zou komen. Je vraagt je af wat ze tegen onderstaande motie konden hebben als ze die nota toch al van plan waren.[xvi] Het lijkt er verdacht veel op dat ze liever een vrijblijvende belofte deden dan dat ze een afspraak maakten waar ze aan gehouden konden worden.

Volhardende middenstanders konden nog hopen op een passage in de nota stadsvernieuwing van september 1976 waarin gesproken werd (blz. 9) over de toekomst van de detailhandel in de saneringsgebieden en hoe ‘noodzakelijke’ bedrijven de periode van de vernieuwingswerkzaamheden moesten kunnen overbruggen.
In dit verband wordt kortheidshalve verwezen naar het ontwerp van de ‘Wet op de Stadsvernieuwing’ waarin een Algemene Maatregel van Bestuur wordt aangekondigd waarin regelen zullen worden gesteld op grond waarvan – zij het onder bepaalde voorwaarden – de noodzakelijke geldelijke- of andere steun kan worden verleend ter verwezenlijking van de doeleinden van de stadsvernieuwing.[xvii]
De formulering zei al genoeg. Ergens in de verre toekomst zou heel misschien iets gaan gebeuren.

De Wet op de Stadsvernieuwing zou uiteindelijk pas komen in 1985, maar in 1977 kwam wel al de Interim Saldoregeling (ISR). In 1978 werd voor de ISR-gebieden een steunregeling van het Departement van Economische Zaken van kracht voor bedrijven die geconfronteerd werden met stadsvernieuwing, de zogenaamde Beschikking Steun Bedrijven Stadsvernieuwing (BSBS 1978).
Deze steunregeling leek van toepassing op de Schilderswijkse middenstanders, maar hoe werkte die BSBS 1978 in de praktijk? In de nota stadsvernieuwing van mei 1980 werd geconcludeerd dat de BSBS 1978 maar zeer beperkt toepasbaar was. Het resultaat was dat slechts in zeer geringe mate een beroep is gedaan op de financiële steunmogelijkheden van de regeling. Oftewel: de middenstanders in de Schilderswijk hadden weer eens het nakijken.
Inmiddels had overleg tussen het rijk, de vier grote gemeenten en de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten) er in 1980 toe geleid dat thans over de hoofdlijnen van een nieuwe steunregeling overeenstemming bestaat.[xviii]

Daar zullen de Schilderswijkers blij mee zijn geweest. Na zo’n twintig jaar hangen en wurgen zou ergens in de jaren 80 (misschien) eindelijk ondersteuning komen voor de kleine middenstanders. Maar waren die er eigenlijk nog wel?

De middenstand was al verdronken

In 1957 had het Nederlands Verbond van Middenstandsverenigingen (NVM) alles al voorspeld. De gevolgen van de sanering waren geen verrassing, net als de tekortschietende regelingen. Toch verspilde de gemeente nog jarenlang tijd en geld aan onderzoeken en nota’s die uiteindelijk precies dezelfde conclusies zouden trekken. Omdat men onnozel was? Zo onnozel was zelfs de gemeente Den Haag niet. Het was tijdrekken.
De massale immigratie in de wijk was natuurlijk een extra – en onvoorziene – complicatie, maar ook wat dat betreft konden de oorspronkelijke Schilderswijkers op weinig begrip rekenen.

Al die jaren moesten de middenstanders maar zien hoe ze overleefden, en velen overleefden het dus niet. Als we kijken naar de brieven achter de schermen, naar de uitspraken van hoge ambtenaren en wethouders, dan kunnen we alleen maar concluderen dat het nooit de bedoeling was dat deze bedrijfjes het zouden overleven.
Dit schrijnende verhaal over de kleine middenstanders staat niet op zichzelf; het is slechts een voorbeeld van wat veel Schilderswijkers overkwam. Niemand kwam de drenkelingen te hulp. Er was geen intentie om hen te helpen, er waren hooguit mooie woorden om het eigen imago op te poetsen.

Bij de gemeente was nogal eens irritatie over de ‘lastige’ Schilderswijkers.
Waarom waren ze toch zo wantrouwig…? Als de gemeente met plannen kwam, lagen er altijd wel bewoners dwars: mensen die betaalbare huren eisten of dachten dat de gemeente hen bedroog.
Degenen die zich aan de Schilderswijkers ergerden, zagen een simpele waarheid over het hoofd: wie minachting en meedogenloosheid zaait, zal wantrouwen en opstand oogsten.

In de loop der jaren is misschien minder veranderd dan we denken. Zelfs nu nog wordt laatdunkend gedaan over een leus die destijds werd aangeheven en die dus als titel mag dienen voor het volgende artikel:
Schilderswijk voor de Schilderswijkers.

Vond je dit artikel goed? Steun Maaike van Charante via repelsteeltje.backme.org

Voor meer artikelen, zie deze link.

Op de hoogte blijven van nieuwe artikelen? Volg Maaike (Repel) op Twitter.

Ter info

  • Wethouder Bol en wethouder Van der Weide waren lid van de Protestants Christelijke partij, Du Chatinier was lid van de Katholieke Volkspartij. Deze partijen gingen in deze periode op in het CDA.
  • Voor de vele citaten uit de documenten van het Haags Gemeentearchief, zie de voetnoten.

[i] G.V. 1957-197 brief van het Nederlands Verbond van Middenstandsverenigingen (4 juni 1957) met nota over de gevolgen van sanering voor middenstanders

[ii] map BNR 0828-4053: Brief van het Haags Middenstands Besturen College van 18 mei 1967

[iii] 5 juni 1967 (Handelingen 1967 blz. 274/275) bespreking brief middenstanders van 18 mei 1967

[iv] map BNR 0828-4053: Brief van het Haags Middenstands Besturen College van 25 juli 1968

[v] 19 augustus 1968 (Handelingen 1968 blz. 433) bespreking brief middenstanders van 25 juli 1968

[vi] map BNR 0828-4053: Brief van ir. F. van der Sluys (directeur gemeentelijke dienst stadsontwikkeling) van 17 augustus 1967

[vii] map BNR 0828-4053: Voorstel van de Ambtelijke Contactgroep voor Economische Aangelegenheden van 1 maart 1968 om een vertrouwenscommissie op te richten

[viii] map BNR 0828-4053: Brief van wethouder Bol (Prot. Chr.) van 17 mei 1968

[ix] map BNR 0828-6740: Notitie Du Chatinier (KVP) van 19 maart 1974

[x] map BNR 0828-6740: Ongedateerde ontwerpnota over de Haagse Detailhandel van begin 1975

[xi] map BNR 0828-6740: Brief Haagse Ondernemers Federatie van 3 juni 1975 waarin de ontwerpnota besproken wordt

[xii] map BNR 910-48: Rapport etnische ondernemerschap en stadsvernieuwing van Max Jeleniewski (1982). Blz. 1 over 140 ‘mediterrane’ en 52 Surinaamse ondernemingen in de Schilderswijk. Blz. 42 over problemen autochtone winkels door gewijzigde bevolkingssamenstelling

[xiii] 1 december 1975 (Handelingen 1975 blz. 1162) bespreking concept-verordening tegemoetkoming kleine zelfstandigen (bijlage 1975-471)

[xiv] 10 december 1975 (Handelingen 1975 blz. 1227) wethouder Van der Weide reageert op kritiek raadsleden

[xv] 26 november 1976 (Handelingen blz. 911) kritiek raadsleden op traagheid gemeente

[xvi] 3 december 1976 (Handelingen blz. 1042) poging van Cadèl om een motie in te dienen om de gemeente tot spoed te manen

[xvii] map BNR 0828-4076: Nota Stadsvernieuwing september 1976

[xviii] map BNR 0828-4076: Nota Stadsvernieuwing mei 1980

.Vond je dit artikel goed? Steun de auteur via Backme

Repel .

Written by Repel .

Je kunt Maaike van Charante steunen op BackMe repelsteeltje.backme.org en/of volgen op Twitter @Repelsteeltje21

Average Rating

5 Star
0%
4 Star
0%
3 Star
0%
2 Star
0%
1 Star
0%

One thought on “De Omvolking van de Schilderswijk: noodkreten en dovemansoren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.