3 0
Read Time15 Minute, 32 Second

Dit artikel maakt deel uit van een serie; hier vindt u de eerdere delen:

Als we nadenken over de omvolking van de Schilderswijk, is een vanzelfsprekende vraag: waarom kwamen de immigranten nu juist in de oude wijken terecht?

De meest gehoorde verklaring is: daar waren goedkope huizen en de immigranten waren arm. Logisch dus dat ze daar onderdak vonden. Maar hoe logisch is dat als de woningnood zo groot was dat elk krot bewoond was? Als het aan de woningzoekenden lag, stonden er geen huizen leeg waar migranten in konden trekken.
Het punt was: de woningzoekenden hadden niet zoveel in te brengen.

Helaas bestaan er mensen die hun medemensen niet als mens zien, maar als middel om geld te verdienen. Als je ze hierop aanspreekt, roepen ze dat ze niets illegaals doen, en op zich hebben ze daar vaak gelijk in. Of het nu politici zijn die schaamteloos graaien of zakenlieden die meedogenloos profiteren, ze weten precies de mazen in de wet te vinden. En als de overheid dan wegkijkt, zijn mensen aan hun praktijken overgeleverd.

De bewoners van de oude wijken waren niet in tel; ze kenden hun rechten niet en hun klachten werden niet gehoord. Daarmee was het ruim baan voor dubieuze huiseigenaren en makelaars; hun hebzucht droeg bij aan de verpaupering van de wijk en aan de verdrijving van de oorspronkelijke bevolking.
Dit artikel gaat over hun daden en de gevolgen daarvan. Het gaat ook over hoe anderen hiervan profiteerden, over stiekem racisme en de kunst van wegkijken.

Geen onderhoud

Huurders die klachten hadden over de staat van hun huizen, moesten een lang traject afleggen voordat de huisbaas eindelijk tot iets verplicht werd. Hier een gedeelte uit een brief van de gemeente[i] aan huurders die geklaagd hadden.

De klachten van deze huurders waren: kapotte rioleringen, verrotte vloeren, verzakkingen en een rattenplaag. Acute problemen, zou je zeggen, maar vul zelf de weken en maanden tussen alle stappen van deze procedure maar in.
Daarnaast konden huiseigenaren ook nog bezwaar maken en zeggen dat het onderhoud financieel niet haalbaar was – subsidie[ii] nodig! – of dat dit de verantwoordelijkheid van de gemeente of de huurders was. Dat kostte allemaal weer tijd, terwijl vaak direct al duidelijk was dat tijdrekken het enige doel van deze bezwaren was. Regelmatig werd gesproken over een strengere aanpak van deze eigenaren,[iii] maar er veranderde weinig.

Je zou zeggen dat een huiseigenaar zichzelf in de vingers snijdt als hij geen onderhoud pleegt. Bijvoorbeeld een lekkend dak zorgt uiteindelijk voor schade aan het huis, en dus voor waardevermindering. Waarom lieten eigenaren dit gebeuren?

Voor een deel was dit omdat onderhoud niet rendabel was: de huur bracht weinig op en veel huizen in de oude wijken zouden toch al gesloopt worden. Waarom investeren in een huis waar je nauwelijks aan verdient? Maar… de gemeente stelde juist hierom subsidies beschikbaar.
Er speelden dan ook andere redenen mee. De huizen verwaarlozen was goedkoop en niet riskant, want de gemeente was laks met handhaven. Verder was de woningnood zo groot dat huizen toch wel verhuurd werden, al stond de schimmel op de muren. Sterker nog: als de bewoners van ellende vertrokken, waren er mogelijkheden om winst te maken op deze krotten. Er waren huisbazen die om die reden nog verder gingen dan ‘alleen maar’ de woningen verwaarlozen.

Huurders eruit werken

In brieven aan de gemeenteraad ging het regelmatig over huiseigenaren die hun huurders eruit werkten of zelfs wegtreiterden.[iv] Soms wilde zo’n huisbaas de woning voor zichzelf hebben, maar vaak ging het om het leeg krijgen van een huis. Dan had de eigenaar geen kosten meer aan onderhoud en kon de woning laten verkrotten tot hij een sloopvergunning kreeg; hij kon ook het pand duur verkopen, of er een pension in vestigen en gastarbeiders hoge huren laten betalen.

Het was verbijsterend hoe weinig bescherming (onder)huurders hadden. Lees hier het verhaal van een gezin dat in 1968 simpelweg op straat werd gezet omdat de huiseigenaar het huis wilde verkopen.[v] En dit geval was dus bepaald niet uniek.

Leegstand

Vanwege de woningnood was het illegaal om huizen leeg te laten staan, maar de gemeente deed bedroevend weinig om de wet te handhaven. Huiseigenaren waren verplicht om leegstand binnen drie dagen te melden; deden ze dat niet dan konden ze bestraft worden met een boete of tien dagen hechtenis. Glastra-Nijveld (PvdA) sprak in 1977 haar frustratie uit over de lakse handhaving en stelde proefprocessen voor.[vi]

De gemeente had het recht om leegstaande woningen te vorderen en kon na twee maanden leegstand een vorderingsprocedure starten, maar als leegstand gemeld werd, kregen eigenaren eindeloos de tijd om op brieven van de gemeente te reageren.
De PPR-fractie zocht eens uit hoeveel van de leegstaande huizen nu werkelijk gevorderd werden en kwam tot de schrikbarende conclusie dat van 6000 gemelde woningen na een jaar (oktober 1974 – oktober 1975) er uiteindelijk maar twee gevorderd waren.[vii]

De woede over de leegstand was groot. De Jongeren Aktiegroep Schilderswijk (J.A.S.) was in de wijk gaan kijken bij leegstaande huizen die niet gemeld waren, en dit stukje uit hun verslag (maart 1970) spreekt voor zich.[viii]

Sommige woningzoekenden gingen dergelijke huizen kraken en dat zorgde weer voor frustraties bij mensen die netjes op hun beurt wachtten. Natuurlijk was kraken ook illegaal, maar zoals Versteeg (PvdA) in 1970 zei: Het eigen rechter spelen blijft op zichzelf onjuist, maar veel laakbaarder achten wij het om ten koste van de ellende van de medemens zich te verrijken aan de woningnood.[ix]
En zich verrijken deden veel huiseigenaren, samen met makelaars en notarissen en ten koste van de ellende van hun medemensen.

Huurkoopaffaires

In november 1970 stelde Gelderblom-Lankhout (D66) vragen over huurkoopaffaires waar de Haagse Courant al vele artikelen aan had gewijd. Zij vroeg het college om hierover bij het ministerie van justitie aan de bel te trekken.[x]
Huurkoop was een vorm van kopen op afbetaling die veel gebruikt werd in de oude wijken; de verkoper kon contracten opstellen waardoor de huurkoper enorme bedragen moest betalen en toch vrijwel geen rechten kreeg. Zoals Gelderblom-Lankhout schreef: De laatste tijd worden vooral gastarbeiders – van wie nauwelijks verwacht mag worden dat zij met de mazen en leemten in onze wetgeving op de hoogte zijn – hiervan de dupe.

Een jaar later vertelde wethouder Nuij (PvdA) dat er een wetsontwerp was ingediend en dat hij de indruk had dat het aantal ‘minder nette huurkoopgevallen’ dit jaar dankzij alle publiciteit was teruggelopen. Wel constateerde hij nog dat degenen die erin lopen (…) de zwakste mensen uit onze samenleving zijn, namelijk de gastarbeiders die contracten ondertekenen waarvan ze geen letter begrijpen.[xi]
Daar had hij gelijk in. Kijk bijvoorbeeld naar deze brief die in 1975 binnenkwam. Een Turkse familie woonde al acht jaar op een dure kamer en smeekte om een betere woning, maar durfde niet te kopen vanwege alle verhalen over verkoopschandalen. Er zat een schokkend naschrift bij.[xii]

Stel je even de radeloosheid voor. Deze mensen hadden – pas in Nederland en de taal nog niet machtig – een contract getekend waarvan ze dachten dat het een huurcontract was, maar in werkelijkheid zaten ze vast aan een huurkoopcontract. Juridisch was vast alles in orde, maar moreel?

In 1973 kwam de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken (TWHOZ) waardoor huurkopers wat meer bescherming kregen, maar intussen waren al heel wat slachtoffers gevallen.

Zwartboek Transvaal

In maart 1975 werd Nederland opgeschrikt door een schandaal.
In Transvaalkwartier – een wijk pal naast de Schilderswijk – hadden inwoners de handen ineen geslagen. Ze brachten een Zwartboek uit waarin ze de praktijken van bepaalde huiseigenaren en makelaars aan de kaak stelden. Er waren woekerwinsten gemaakt bij de verkoop van woningen; met name Surinamers betaalden schandalig hoge koopprijzen voor woonruimte. Een paar voorbeelden uit de Volkskrant (8 maart 1975).

  • Op 3 augustus 1973 verkoopt Van Doorn uit Lisse een eerste etage aan de Mechelsestraat voor 17.000 gulden aan Spaeth. Op dezelfde dag verkoopt deze Spaeth de etage door aan een Surinamer voor 31.000 gulden. Dat is een winst van 14.000 gulden op één dag.
  • In april 1972 worden de panden Smitstraat 81 tot en met 87 (6 woningen, 2 beneden, 2 eerste en 2 tweede etages) verkocht aan Hilders uit Voorburg voor zevenduizend gulden. Dat is gemiddeld een kleine twaalfhonderd gulden per woning. Op 10 oktober verkoopt Hilders een eerste etage aan een Surinamer voor 23.000 gulden. Na tweeëneenhalf jaar haalt Hilders een verkoopprijs die twintig maal zo hoog ligt als de prijs die hij zelf heeft neergeteld.
  • In de Hertzogstraat worden in maart 1973 drie woningen voor 21.000 gulden verkocht aan makelaar Y. Zeilstra. In november van hetzelfde jaar verkoopt Zeilstra de tweede etage aan een Surinamer voor twintigduizend gulden. De heer Zeilstra is bestuurslid van de Interkerkelijke Woningcommissie in Den Haag.

Een aardige toevoeging trouwens in dat laatste voorbeeld: de heer Zeilstra was bestuurslid van de interkerkelijke woningcommissie. Zou hij met die pet op vroom hebben gesproken over de wantoestanden op de woningmarkt…?

Uit het Zwartboek bleek hoe de makelaars misbruik maakten van de kwetsbare positie van woningzoekenden. Veel aspirant-kopers waren niet op de hoogte van hun rechten en van de werkelijke waarde van de huizen die ze wilden kopen. Notarissen tekenden bij het kruisje en taxatie van de woningen werd niet uitgevoerd.
De Werkgroep Surinamers Nederlanders Transvaalkwartier pleitte voor verplichte taxatie, het vermelden van de vroegere koopprijs van woningen en vrijstelling van onroerendgoedbelasting voor huizen in de oude wijken.[xiii]

Het schandaal zorgde voor veel verontwaardiging. Dat bepaalde makelaars en huiseigenaren zich met schimmige zaken bezig hielden was al erg genoeg; dat achtenswaardige notarissen hierbij betrokken waren – en er goed aan verdienden – kwam als een schok.
Er werden onderzoeken ingesteld door de gemeente Den Haag, door staatssecretaris Schaeffer van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en door de Haagse afdeling van de Nederlandse Bond van makelaars. Zware straffen werden niet uitgedeeld: de makelaars hadden gebruik gemaakt van mazen in de wet en van de onwetendheid van kopers. De notarissen kwamen weg met een interne vermaning van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.

Hoe houd je buitenlanders uit je wijk

Een heel andere kant van al deze schandalen is natuurlijk: als immigranten zulke bedragen neer konden tellen voor slechte woningen in oude wijken, waarom kochten ze dan geen huizen in de betere wijken? Ze hadden het geld ervoor.

Ahmed Aarad – oprichter van Saltmines en Backme – vertelde een ontnuchterend verhaal.
De vader van Ahmed was een Marokkaanse gastarbeider en Ahmed groeide op in de Schilderswijk. Zijn ouders werkten hard en spaarden, en toen er genoeg gespaard was, wilde zijn vader een huis kopen in de vruchtenbuurt. Tot zijn verbijstering kreeg hij geen toestemming om in die buurt een huis te kopen; de Vereniging van Eigenaren lag dwars. Men wilde geen Marokkanen in de wijk…
Volgens Ahmed waren er veel verhalen in de Schilderswijk van migranten die om deze reden er niet in slaagden uit de wijk te ontsnappen.

In een vorig artikel citeerde ik uit een brief van de pastores van Spoorwijk Laakkwartier. Daar stond o.a. in: Is het niet veeleer zo dat de zwakste wijken van de stad hiermee belast worden omdat in de rest van die Haagse gemeenschap noch de buitenlandse werknemers noch al de Surinaamse rijksgenoten mogen wonen?[xiv]

De bekende Schilderswijker John Duivesteijn schreef hierover in 1984:
Kwalijker is dat die zogenaamd betere buurten – waar men over het algemeen toch al met minder problemen opgezadeld is – buitengewoon fel reageren zodra er in die buurt een enkele buitenlandse familie intrekt. Niet dat men er openlijk en in woord discrimineert, nee, dat wordt verhuld gedaan en in guldens vertaald.
De komst van een buitenlandse familie in de buurt zet men om in een vermeende waardevermindering van het eigen (koop)huis. Van deze waardevermindering is men zo overtuigd dat de ‘getroffen’ huiseigenaren in deze buurten niet schromen een schadeclaim bij het gemeentebestuur in te dienen.

Zijn dit broodje-aapverhalen? Roddels? Waren er geen gegoede burgers die achter de schermen regelden dat hun buurten ‘buitenlandervrij’ zouden blijven?
Het probleem is hier dat juist de mensen in de ‘betere’ kringen veel middelen hebben om dit soort zaken toe te dekken. Zij zitten in de besturen en commissies, zij hebben de juiste contacten, zij schrijven de rapporten. Het is lastig om je buren, vrienden of familie in verlegenheid te brengen; het is verleidelijk om verhalen die beter uitkomen onweersproken te laten of zelfs te promoten.

Broodje-aapnominatie

Zo kwam ik op diverse plekken een vreemd verhaal tegen, o.a. in een document van het Verwey-Jonkerinstituut dat de Tweede Kamer diende te informeren. Hier werd beschreven (blz. 140) hoe gastarbeiders in de jaren 70 ‘terecht kwamen’ in slechte woningen: Deze woningen zijn veelal gelegen in de verpauperde vooroorlogse wijken van de grote steden. Daar nemen Turken en Marokkanen de plaatsen in van autochtone bewoners die zijn vertrokken naar groeikernen.
Dus doordat Nederlanders vertrokken naar groeikernen en – blijkbaar – hun huizen leeg achterlieten, kwamen veel buitenlanders in de oude wijken terecht?! Wel ja. Die wijken werden leeg achtergelaten en toen dachten de migranten: ‘Hé, huizen!’ Dit is óf bijzonder ongelukkig geformuleerd, óf het verdient een broodje-aapnominatie.

Gaan we naar de bron die het Verwey-Jonkerinstituut hiervoor opvoert, dan staat daar niet zo’n suggestief oorzaak-gevolgverhaal. Jansen schreef over de gastarbeiders die alleen in de oude wijken terecht konden en voegde daaraan toe (blz. 239): Inmiddels was daar al een trek van autochtone bewoners naar elders op gang gekomen, gepaard gaande met achteruitgang van de wijk.
De vrije interpretatie van deze zin valt nog meer op als je ziet wat niet in het Verwey-Jonkerdocument terecht kwam. Jansen (blz. 246): Doordat er wijken waren die voor allochtonen gesloten bleven, kreeg het resterend aantal wijken dat vanwege hun inkomenspositie beschikbaar was – doorgaans lagere inkomenswijken – een groter aantal allochtonen te huisvesten. Dat de ‘betere’ wijken hun deuren sloten, had best aan de Tweede Kamer verteld mogen worden.

Jansen ontkrachtte ook een ander verhaal dat de ronde doet. Wethouder Van Hagen (PvdA) in 1976: Het is nu eenmaal een feit dat rijksgenoten veelal de omgeving van hun reeds hier gevestigde relaties kiezen voor hun definitieve vestiging.[xv]
In het rapport Rijksgenoten in Den Haag (1974) wordt zelfs gesuggereerd dat deze zogenaamd gewenste segregatie positieve kanten heeft.[xvi]

Jansen concludeerde dat de immigranten niet kozen voor zelfsegregatie: ze haalde meerdere onderzoeken aan waaruit bleek dat slechts een kleine minderheid van de Turken, Marokkanen en Surinamers (10 tot 13%) liever in een buurt met alleen of voornamelijk allochtonen wilde wonen. De meerderheid wilde liever in wijken met veel autochtone Nederlanders wonen.
Dit is iets wat wel is doorgedrongen in het verslag van het Verwey-Jonkerinstituut (blz. 148): Ook uit andere literatuur komt niet naar voren dat allochtonen een sterke voorkeur hebben om bij elkaar te wonen.

Groot voordeel van dit soort verhalen – vanuit een bepaald perspectief – is dat de gettovorming in de oude wijken echt niets te maken had met verkeerd beleid of met gesloten deuren bij rijkere wijken. Nee, het lag gewoon aan buitenlanders die bij elkaar klitten en aan bewoners die hun wijk in de steek lieten! De elite heeft schone handen, eventuele schuld ligt bij de gebruikelijke verdachten.

De gevolgen voor de wijk

De wet lijkt er vooral te zijn om de bevoorrechte klasse te beschermen. En als de wet al niet zo bedoeld is, dan is dit toch wel hoe hij gebruikt wordt. Zoals ik al schreef: de bewoners van de oude wijken waren niet in tel; ze kenden hun rechten niet en hun klachten werden niet gehoord.
Mogen we dit ‘systemische’ ongelijkheid noemen…? In elk geval deed de gemeente weinig aan wetshandhaving die de Schilderswijkers had kunnen beschermen.

De smeekbeden om spreiding van de nieuwkomers werden genegeerd of zelfs racistisch genoemd, het verkleuren van de oude wijken werd als een natuurlijk fenomeen gepresenteerd. Maar dat was het niet.
De huisjesmelkers maakten door uitbuiting de wijk onleefbaar en samen met hun kompanen bevorderden ze omvolking door massaal huizen aan immigranten te verkopen of er pensions in te vestigen. De ‘betere’ wijken hielden hun deuren gesloten zodat de immigranten weinig keus hadden; de ‘nette’ burgers profiteerden daarbij van bovengenoemde praktijken die het voor hen makkelijker maakten om hun eigen buurten blank te houden.

De oude wijken gingen steeds meer op getto’s lijken en deze omvolking kwam bovenop de problemen die er al waren.
Wat dit betekende voor de volhouders, is nauwelijks te bevatten. Daarom ligt in het volgende artikel de focus op een groep bewoners die heel hard geraakt werd door de verpaupering van de wijk en door de veranderende bevolkingssamenstelling.

Het volgende artikel gaat over de ondergang van de kleine middenstanders in de Schilderswijk.

Vond je dit artikel goed? Steun Maaike van Charante via repelsteeltje.backme.org

Voor meer artikelen, zie deze link.

Op de hoogte blijven van nieuwe artikelen? Volg Maaike (Repel) op Twitter.

Ter info:

  • Voor de vele citaten uit de documenten van het Haags Gemeentearchief, zie de voetnoten.

 

[i] G. V. 1975-602: antwoord gemeente 20 februari 1976 nr. 135952 afd. E.Z. op ingekomen brief 13 oktober 1975 inzake rattenoverlast

[ii] Bijlage 1972-422 eigenaar gastarbeiderspension wil subsidie voor verplicht onderhoud. Verzoek afgewezen

[iii] Algemene toelichting ontwerpbegroting 1975 blz. 84 over wenselijkheid harder aanschrijfbeleid

[iv] G.V. 1975-441V Brief dhr. Kieviet over schandalige behandeling invalide Schilderswijker. Huiseigenaar misdraagt zich en ambtenaren maken alles nog erger

[v] 21 november 1968 (Handelingen 1968 blz. 719) Ommen Kloeke (VVD) over gezin kapper op straat gezet

[vi] 23 mei 1977 (Handelingen 1977 blz. 253) Glastra-Nijveld (PvdA) over strafbaarheid niet melden leegstand en de lakse handhaving

[vii] G.V. 1976-472 rapport PPR over leegstand

[viii] G.V. 1970-129 brief 4 maart 1970 J.A.S. over leegstand

[ix] 30 november 1970 (Handelingen 1970 blz. 723) Versteeg (PvdA) over de hebzucht van huiseigenaren en dat kraken afgekeurd moet worden, maar wel begrijpelijk is i.v.m. de woningnood

[x] schriftelijke vragen 1970-98 Gelderblom-Lankhout (D66) 17 november 1970 over huurkoopaffaires

[xi] 16 december 1971 (Handelingen 1971 blz. 946) wethouder Nuij (PvdA) over gastarbeiders die contracten ondertekenen waarvan zij geen letter begrijpen

[xii] G.V. 1975-491 15 augustus 1975 brief familie C. die ontdekt een huurkoopcontract te hebben getekend

[xiii] G. V. 1975-237 brief Werkgroep Surinamers Nederlanders Transvaalkwartier 8 april 1975 over Zwartboek Transvaal

[xiv] G.V. 1975-115 brief pastores van Laakkwartier 24 februari 1975 over spreiding immigranten

[xv] 26 november 1976 (Handelingen 1976 blz. 1097) Van Hagen over rijksgenoten die volgens hem liefst bij andere rijksgenoten wonen

[xvi] Map BNR 828 -7839 rapport Rijksgenoten in Den Haag (blz. 16) over de positieve kant van segregatie

.Vond je dit artikel goed? Steun de auteur via Backme

Repel .

Written by Repel .

Je kunt Maaike van Charante steunen op BackMe repelsteeltje.backme.org en/of volgen op Twitter @Repelsteeltje21

Average Rating

5 Star
0%
4 Star
0%
3 Star
0%
2 Star
0%
1 Star
0%

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.