Dat een Nederlandse lobbyorganisatie die de belangen van Israël verdedigt onderwijsmateriaal over het Israëlisch-Palestijns conflict ontwikkelt, en het ministerie van Onderwijs toestaat dat op scholen te gebruiken, is op zijn zachtst gezegd vreemd. Een analyse leert dat het lesmateriaal uiterst eenzijdig is.

Ruim twee weken geleden lanceerde het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) een nieuw educatieprogramma over het Israëlisch-Palestijns conflict. Het is volgens het CIDI ‘zo neutraal en evenwichtig mogelijk’ en bestemd voor middelbare scholieren, specifiek het VMBO. De titel luidt: ‘VMBO Geschiedeniskatern: Over het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Een kwestie van land en identiteit.’

Het CIDI is de bekendste belangenbehartiger van de staat Israël in Nederland. De lobbyorganisatie manifesteert zich met eenzijdige pro-Israëlische en anderszins gekleurde informatie over het Israëlisch-Palestijns conflict. Doel hiervan is het beïnvloeden van de publieke opinie en de Nederlandse politiek, en het minimaliseren en frustreren van kritiek en eventuele politieke druk op de Palestinapolitiek van de Israëlische regering: de al meer dan vijftig jaar durende bezetting en illegale kolonisering van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem, de voortgaande blokkade van Gaza en de mensenrechtenschendingen die hiermee gepaard gaan.

Gezien het bovenstaande is het vreemd dat het ministerie van Onderwijs blijkbaar toestaat dat het CIDI lesmateriaal verstrekt over een gevoelig onderwerp, waarin het zelf partij en overduidelijk partijdig is. Maar the proof of the pudding is in the eating. Om die reden heb ik, in mijn hoedanigheid van historicus, het complete geschiedeniskatern geanalyseerd. Ik ben nagegaan of het materiaal op afzonderlijke onderwerpen en in z’n geheel een afgewogen beeld van het conflict geeft. Of het omissies bevat, of verifieerbare historische feiten correct zijn weergegeven, en of ook structuur en taalgebruik ‘zo neutraal en evenwichtig mogelijk’ zijn. Uiteraard houd ik hierbij rekening met de moeilijkheid van het kort en bondig weergeven van een ingewikkeld historisch onderwerp voor middelbare scholieren.

Hieronder volgen allereerst mijn algemene bevindingen, onderbouwd met voorbeelden uit het lesmateriaal. Daarna volgt een overzicht van mijn kritiek op de verschillende onderdelen van de lesstof, die de basis vormt voor mijn algemene oordeel.

Indoctrinatie

Geeft het geschiedeniskatern een ‘evenwichtig, volledig en helder overzicht van de geschiedenis van het conflict tussen Israël en de Palestijnen’, zoals het CIDI zelf het materiaal aanprijst? Het antwoord is beslist nee. Hoewel dit voor mensen die niet goed zijn ingevoerd in de geschiedenis van het conflict – en middelbare scholieren en hun docenten mogen we daartoe rekenen – wellicht oppervlakkig zo kan lijken, geeft het CIDI op allerlei punten een vertekend beeld van het conflict. Dat beeld is in lijn met de nationalistische visie – of beter gezegd: mythe – die de staat Israël zelf propageert. Daar hebben we in het Nederlands een woord voor: indoctrinatie.

Een voorbeeld: door het hele lesmateriaal heen wordt Israël steevast opgevoerd als slachtoffer van de gebeurtenissen, nooit als dader. Bij de vele internationale oorlogen die het conflict gekend heeft, wordt daar waar Arabische staten Israël aanvielen (1948, 1973) dit expliciet in de tekst vermeld. Bij de oorlogen waarin Israël zijn buurlanden aanviel (1956, 1967) volstaat het CIDI met de neutrale omschrijving ‘er brak oorlog uit’. De twee verwoestende Libanon-oorlogen (1982, 2006), waarin Israël buurland Libanon binnenviel, en de recentere oorlogen tegen Gaza, worden slechts één keer terloops vermeld.

Ook wat betreft het gewelddadig Palestijns verzet tegen de staat Israël komt dit ‘slachtofferparadigma’ terug. Het CIDI schrijft dat de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) terreuraanvallen tegen Israël en tegen joodse doelwitten overal ter wereld pleegde, en Israël vervolgens terugvocht. Hier wordt opnieuw een vertekend beeld van de historische werkelijkheid gegeven. Vanaf de oprichting van de staat Israël in 1948 werd iedere vorm van Palestijns verzet in Israël zelf en in de buurlanden vaak met militair geweld de kop in gedrukt. De scholieren krijgen dus tersluiks en welbewust een historisch onjuist beeld voorgeschoteld van het vaak agressieve en offensieve militaire karakter van de daden van de staat Israël.

‘Nederzettingen’

Eenzelfde verdoezeling doet zich voor op het punt van de op zichzelf al eufemistisch aangeduide ‘nederzettingen’. In de lopende tekst wordt slechts terloops vermeld dat Israël na de Zesdaagse Oorlog van 1967 ‘nederzettingen begon te bouwen’ in de net veroverde gebieden. Een aantal paragrafen verderop – in chronologie na de Oslo-akkoorden van 1993-1994 – is een apart hoofdstukje aan deze ‘nederzettingen’ gewijd. Hoewel daarin wordt vermeld dat de Palestijnen zuchten onder de Israëlische militaire bezetting van de Westoever, stelt het CIDI slechts dat er ‘veel Israëliërs in nederzettingen op de Westoever wonen’.

Nergens in de tekst wordt vermeld dat de kolonisering van de Westoever en Oost-Jeruzalem op basis van het internationaal recht door de VN en de wereldgemeenschap – inclusief Israëls belangrijkste bondgenoot, de VS – als illegaal wordt veroordeeld, en dat geen land ter wereld de ‘nederzettingen’ erkent. Hoe de inmiddels bijna 800 duizend kolonisten op de Westoever en in Oost-Jeruzalem terecht zijn gekomen wordt niet uitgelegd. De welbewuste koloniseringspolitiek van Israël, waarvoor het de afgelopen vijftig jaar talloze malen door de wereldgemeenschap tot de orde is geroepen, wordt nergens besproken. En dat door de inmiddels versneld voorgaande kolonisering een tweetatenoplossing, die in het lesmateriaal wel uitvoerig aan de orde komt, vrijwel onmogelijk is geworden, wordt ook niet in de hierboven geschetste context uitgelegd. Het enige dat hierover wordt gezegd is de zin: ‘Bovendien vinden veel mensen [sic; wie?] dat de voortdurende bouw van nederzettingen op de Westoever [sic; door wie?] een Palestijnse staat blokkeert en ze [sic; wie?] zien het ook als landroof.’

Het op deze manier onvolledig en eenzijdig weergeven van dit kernpunt van het Israëlisch-Palestijns conflict doet de evenwichtigheid van het lesmateriaal op een fundamentele manier geweld aan. Hierdoor blijft voor de leerlingen onduidelijk waarom de Palestijnen op de Westoever en in Oost-Jeruzalem zuchten onder een militaire bezetting en zich verzetten tegen Israël.

Palestijnse identiteit

Sowieso komt het Palestijnse volk er wat betreft de in de titel vermelde ‘kwestie van land en identiteit’ bekaaid vanaf, zulks in tegenstelling tot de joden en Israëli’s. Zoals gezegd houd ik er rekening mee dat het lesmateriaal niet alles kan behandelen en dat bij het begrijpelijk weergeven van complexe materie keuzes moeten worden gemaakt. Maar waarom wordt het door het uitbreken van WOII irrelevante  plan van de Britse commissie-Peel uit 1937 wel behandeld, maar de aanleiding voor dat plan – de Arabisch-Palestijnse opstand van 1936-1939 – niet? Die opstand was een wezenlijke gebeurtenis met betrekking tot het tot stand komen van de Palestijnse nationale identiteit.

En hoewel het CIDI de Nakba (‘Catastrofe’) van 1947-1949 bespreekt, waarbij een grote meerderheid van de Palestijnse bevolking van huis en haard werd verdreven, wordt de eerste Intifada van 1987-1993 niet apart vermeld. Deze grassroots opstand van de Palestijnse burgerbevolking op de Westoever en in Gaza, en de keiharde militaire reactie waarmee de Israëlische staat die voor het oog van de wereld neersloeg, is niet alleen van belang voor de Palestijnse nationale identiteit, maar ook een kantelpunt in het conflict en de directe aanleiding voor de Oslo-akkoorden. Daar kun je vanuit historisch oogpunt eenvoudigweg niet aan voorbijgaan.

En waarom wordt de leerlingen in de opdrachten gevraagd waarom Jeruzalem heilig is voor joden, en even verderop waarom Mekka en Medina heilig zijn in ‘de islam’, maar niet waarom Jeruzalem óók heilig is voor Palestijnse moslims en christenen? Dat lijkt voor een beter begrip van het Israëlisch-Palestijns conflict toch een aanzienlijk relevantere vraag dan die over Mekka en Medina.

Joodse en Israëlische identiteit

Daar staat tegenover dat de joodse geschiedenis en identiteit, en de daaruit voortvloeiende Israëlische claim op een zogenoemd Groot-Israël, op ingenieuze maar onhistorische wijze uitgebreid uit de doeken wordt gedaan en soms wordt aangedikt. Dat begint direct in deel I met de eerste geografische kaart, waarop het CIDI de geografische omvang van het Verenigd Koninkrijk Israël en zijn buurlanden rond 900 voor Christus weergeeft.

Er bestaat geen enkel historisch of archeologische bewijs voor een Verenigd Israëlisch Koninkrijk van deze omvang in de genoemde periode. De enige bron hiervoor is het Oude Testament. De actuele historische consensus luidt dat de betreffende bijbelboeken in de 6e eeuw voor Christus in Babylon op schrift zijn gesteld. Het betreft hier een mythische en religieuze joodse geschiedenis die je niet, zoals het CIDI doet, als een historisch feit kunt voorstellen. Het is essentieel de leerlingen erop te wijzen dat (een deel van de) joden en Israëliërs dit geloven, maar er geen historisch bewijs voor bestaat. Te meer daar de staat Israël dit Bijbelse Koninkrijk nog altijd opvoert als argument waarom zij meer recht zou hebben op het land dan de Palestijnen, en ook als rechtvaardiging voor de illegale kolonisering van Oost-Jeruzalem en de Westoever.

Verderop in de tekst wordt de beroemde Balfourdeclaratie uit 1917 behandeld. Ook die speelt in Israëls nationale mythe – en in het verlengde daarvan in de claim op een ‘Groot-Israël’ – een belangrijke rol, die veel groter is dan op historische gronden gerechtvaardigd is. De mededeling van de Britse minister van Buitenlandse Zaken Balfour aan Lord Rothschild luidde dat ‘de Britse regering welwillend staat tegenover de vestiging van een nationaal tehuis voor het joodse volk in Palestina’, en was letterlijk een stuk papier met 15 regels tekst. Maar het CIDI promoveert de verklaring tot een ‘plan’ – het ‘Balfourplan’. In lijn daarmee wordt de door de Britten bewust vaag gehouden term ‘nationaal tehuis’ opgeschaald tot ‘thuisland’.

Ernstige zaak

Zoals eerder gezegd, voor de leek lijken dit wellicht allemaal details. Wanneer echter zulke historische fouten, verdraaiingen en omissies, veelal verpakt in eenzijdig taalgebruik, in de lesstof op vrijwel alle onderwerpen voorkomen, en allemaal in dienst staan van de partijdige visie die het CIDI op het conflict heeft, dan heet dat indoctrinatie. De middelbare scholieren krijgen geen evenwichtig beeld van het conflict, maar grosso modo de traditionele Israëlische nationale mythe voorgeschoteld.

Dat het ministerie van Onderwijs en de onderwijsinspectie toestaan dat het CIDI dit lesmateriaal op middelbare scholen aanbiedt is een ernstige zaak. Nederlandse scholieren hebben recht op objectief lesmateriaal, zeker als het een maatschappelijk gevoelig onderwerp als het Israëlisch-Palestijns conflict betreft. Ondergetekende roept de politiek en het Ministerie van Onderwijs in het bijzonder op om dit lesmateriaal van het CIDI te verbieden. In z’n algemeenheid is de vraag gerechtvaardigd of het verstandig is een lobbyorganisatie die de belangen van een ander land verdedigt lesmateriaal te laten aanbieden op Nederlandse scholen.

 

Analyse van het lesmateriaal

In het onderstaande wordt de kritiek op de achtereenvolgende onderwerpen die in de lesstof aan de orde komen weergegeven. Deze kritiek vormt de basis voor mijn bovenstaande algemene oordeel. De kritiek heeft betrekking op de inhoudelijke delen I, II en III. Deel IV is vooral gericht op discussie over mogelijke oplossingen voor het conflict.

Onjuiste historische feiten en interpretaties – die te allen tijden verbeterd dienen te worden – zijn hieronder in normaal lettertype weergegeven. Interpretaties en extra informatie mijnerzijds zijn cursief gezet. Desgewenst kan de lezer alle punten van kritiek naast de online versie van de lesstof houden en op die manier een eigen oordeel vormen.

Deel I, B1, Oude geschiedenis

Er bestaat geen historisch bewijs voor een ‘Verenigd Koninkrijk Israël’, zoals dat op de kaart wordt weergegeven. Voor verder commentaar zie het bovenstaande artikel

 Deel I, B2, De Romeinen

 In deze paragraaf wordt beweerd dat de joodse opstand tegen Rome in 66 na Christus uitbrak omdat de joden gedwongen werden de Romeinse keizer als god te vereren. Dat is historisch onjuist. De opstand had niet zozeer een religieuze, maar een economische oorzaak: hoge belastingdruk. Waarom wordt deze vergissing gemaakt? Opstanden tegen Rome die veroverde gebieden als wingewesten uitpersten kwamen aan de lopende band in het hele rijk voor.

 Onder het kaartje wordt vermeld dat de Romeinen ‘een groot deel van de joodse bevolking vermoordde of tot slaaf maakte, en de rest van de bevolking vluchtte of verdreven werd’. Ook dit is historisch onjuist. Hoewel de joodse tempel verwoest werd en de opstand hard neergeslagen werd, bleef het grootste deel van de Joodse bevolking gewoon in Palestina. In 132 na Chr. brak immers de Tweede Joodse opstand onder Bar Kochba uit. Hier wordt duidelijk in combinatie met de vorige punten de nationale Israëlische mythe uit de doeken gedaan. Daarom ligt hier klaarblijkelijk bewust het accent op vervolging wegens hun geloof dat historisch gezien dus niet klopt.

Deel I, C1, Oorsprong, vragen

Waarom wordt hier niet ook gevraagd waarom Jeruzalem naast Medina en Mekka ook heilig is binnen de islam, voor Arabieren en Palestijnen? Dat lijkt me binnen de context van het Israëlisch-Palestijns conflict een relevantere vraag voor de leerlingen. Verder in de tekst wordt nog een keer wel gevraagd waarom Jerusalem heilig is voor het jodendom, het christendom en de islam maar dat is duidelijk in religieuze en niet nationale context.

Deel I, C2, De Verspreiding van de Islam

In deze paragraaf wordt gesuggereerd dat bij de veroveringen van de Arabieren de bevolking voor een groot deel bekeerd werd tot de Islam. Dat is onjuist. Waarschijnlijk was het eerder andersom dat mensen uit zichzelf tot de Islam bekeerden vanwege allerlei uiteenlopende niet perse religieuze redenen. Christenen worden hier speciaal als bekeerlingen vermeld maar Joden niet. Terwijl voor Joden waarschijnlijk hetzelfde gold.

Deel II, B, Tegenstrijdige beloftes 

Hier wordt gesproken van het Balfour-plan wat ‘Balfourdeclaratie’ moet zijn en thuisland wat ‘nationaal thuis’ moet zijn. Binnen de Israëlische nationale mythe wordt het historische belang van de Balfourdeclaratie begrijpelijkerwijs groter gemaakt dan historisch gerechtvaardigd is. Een meer historische en nuchtere karakterisering van de Balfourdeclaratie, een klein briefje gericht aan Lord Rothschild, was dat de declaratie een Brits PR offensief was, vooral bedoeld om vanuit een antisemitisch wereldbeeld financiële middelen voor de voortzetting de Eerste Wereldoorlog aan te trekken en de VS maar vooral Rusland binnen het kamp van de geallieerde oorlogvoerende landen te houden.

Deel II, D, Eerste verdeling van Palestina (1920-1922)

Hier wordt een hele paragraaf besteed aan de ‘eerste verdeling’ van Palestina die uitsluitend relevant is voor de Israëlische nationalistische mythe (vooral voor de revisionistische cq. rechtse interpretatie daarvan) en dragen op geen enkele manier bij tot een beter begrip van het Israëlisch-Palestijns conflict door de leerlingen. Belangrijke historische onderwerpen met betrekking tot de Palestijnse identiteit en het Palestijnse nationalistische narratief die wel voor een beter begrip van de materie zorgen zoals bijvoorbeeld de eerste Intifada of meer actueel de Gaza-oorlogen worden echter niet behandeld.

 Deel II, E, Joodse immigratie

Aan het einde van de eerste alinea in deze paragraaf staat, verwijzend naar Nazi-Duitsland en Oostenrijk, vermeld dat ‘ook in de Arabische landen in deze tijd het antisemitisme toenam’. Welke functie heeft dit binnen de context? En welke bron is er voor toenemend antisemitisme in de Arabische landen in deze periode?

Deel II, G, Voorstel tot verdere verdeling (1937)

Waarom wordt het historisch en voor een beter begrip irrelevante Peel-plan uitvoerig besproken en de aanleiding tot dit plan de Arabisch-Palestijnse opstand van 1936-1937 niet? Zie het bovenstaande artikel.

Deel II, I, Joodse immigratie stopgezet 

Deze paragraaf is in zijn geheel historisch onjuist. De Arabisch-Palestijnse opstand van 1936-1939, die dus niet behandeld wordt, werd met aanzienlijke militaire inspanning door de Britten neergeslagen. Niet het feit dat de Britten geen leger naar Palestina konden sturen was de reden voor het stopzetten van Joodse immigratie maar de Arabische-Palestijnse opstand zelf. Nog een reden waarom het vreemd is dat die opstand niet behandeld wordt.

Deel II, J, Tweede Wereldoorlog 

Hier wordt het feit dat de meeste Joden in Palestina de Britten tegen de Nazi’s steunden tegenover de na 1939 niet erg irrelevante Palestijnse geestelijk leider moefti Hoesseini gezet die inderdaad samenwerkte met Hitler en de Nazi’s. Hoe zat het met ‘de meeste Arabieren voor het evenwicht? Of welke extremistische Joodse groep vocht door tegen de Britten en was daarvoor zelfs bereid met de Nazi’s samen te werken?  

Deel II, K, Voorstel van de Verenigde Naties tot verdere verdeling (1947) 

Waarom wordt de zogeheten ‘burgeroorlog-fase’ voor het internationale conflict na de uitroeping van de staat Israël in mei 1948 niet behandeld? Een deel van de Nakba vond immers al plaats toen er van de staat Israël en een internationaal conflict nog geen sprake was. 

Deel III, B, Oorsprong van het Palestijnse vluchtelingenprobleem 

Wie verdreef de Palestijnse inwoners van Israël uit het gebied binnen de Groene Lijn? Niet alleen de Palestijnen spreken van de Nakba, de ‘Catastrofe’. Het begrip Nakba is inmiddels een algemene aanduiding voor een historische gebeurtenis. 

Deel III, C, De eerste jaren van Israël 

De achtergebleven Israëlische Arabieren (20% van de bevolking) waren geen onderdeel van de positieve ontwikkeling van Israël. Zij stonden tot 1966 onder militair bestuur met vergaande beperking qua bewegingsvrijheid en vrijheid van meningsuiting en daardoor profiteerden zij maar zeer beperkt van de economische opbloei. 

Deel III, C1, Joodse immigratie 

In deze paragraaf staat dat de Palestijnen alleen gevlucht zijn tijdens de Nakba. ‘Verdreven’ is hier weggelaten. 

Deel III, C2, Oorlog met Egypte 

Dat Israël Egypte eenzijdig aanviel wordt bij de Suezcrisis niet expliciet vermeld. Het CIDI volstaat met het neutrale ‘er brak oorlog uit’. 

Deel III, E, Arabieren in Israël 

In deze paragraaf staat wederom niet vermeld dat de Israëlische Arabieren tot 1966 onder militair bestuur stonden. Ook mogen de meeste Arabieren in Israël met uitzondering van de Druzen vaak niet in het leger in tegen stelling tot wat in deze paragraaf beweerd wordt.

Deel III, F, De Zesdaagse Oorlog 

‘Er brak weer oorlog uit’ en dat Israël de aanvallende partij was wordt niet vermeld. In verband met internationaal recht en oorlogsrecht is dit belangrijk maar die beide zaken worden in de hele stof niet behandeld.

Deel III, G, Opnieuw oorlog (1973) 

Egypte en Syrië vallen wel Israël aan in de tekst. Zie artikel. In deze paragraaf wordt in drie regels de twee Libanonoorlogen, de twee (!) Intifada’s en drie Gaza-oorlogen genoemd en behandeld. Zie artikel. 

Deel III, I, Vredesakkoord tussen Jordanië en Israël 

Waarom wordt dit behandeld vóór de Oslo-akkoorden? Dat is niet logisch.

Deel III, J, De PLO en de Oslo-akkoorden 

Hier lezen we dat de PLO terreuraanvallen pleegde en dat Israël ‘terugvocht’. Dat heeft gezien de hier besproken geschiedenis weinig met de historische werkelijkheid te maken. Zie het artikel. Waarom wordt de eerste Intifada niet besproken? Een wezenlijk historische gebeurtenis zonder welke de Oslo-akkoorden moeilijk te verklaren vallen. Zie Artikel. 

Deel, III, K1, Politieke moord en extremisme 

In deze paragraaf worden de moorden op Sadat (1981) en Rabin (1995) tegenover elkaar geplaatst om het extremisme aan beide zijden te verduidelijken. Dit is mijns inziens een niet helemaal juiste vergelijking. De vrede tussen Israël en Egypte staat in internationale context in tegenstelling tot de latere Oslo-akkoorden. 

Deel III, K2, Hamas 

Voor het evenwicht is het hier wellicht belangrijk om in te voegen dat Hamas de verkiezingen won in 2006. 

Deel III, K3, Nederzettingen 

Zoals in het artikel vermeld wordt er nergens goed uitgelegd hoe de nederzettingen en de honderdduizenden kolonisten op de Westbank terecht zijn gekomen. De rol van Israël en de internationaal rechterlijke context wordt nergens in het les materiaal besproken. Voor een kernpunt van het Israëlisch-Palestijns conflict is dat onbegrijpelijk. 

Deel IV 

Deel IV is een afsluitend gedeelte van het lesmateriaal waar door middel van discussie over oplossingen voor het Israëlisch-Palestijns conflict gesproken wordt door de leerlingen aan de hand van informatie en vragen. Deel IV is daarom niet geanalyseerd. Afsluitend de opmerking dat gezien deze totale analyse van het inhoudelijke lesmateriaal de leerlingen zoals betoogd geen evenwichtig beeld hebben gekregen van de geschiedenis van het conflict en derhalve vanuit een partijdige door het CIDI bepaalde insteek aan dit discussie onderdeel beginnen. 

Jan Tervoort is historicus gespecialiseerd in het Israëlisch-Palestijns conflict. Hij analyseerde eerder geschiedenislesmateriaal over hetzelfde onderwerp hier en hier.

 

Vond je dit artikel goed? steun de auteur via Blendle

Jan Tervoort

Written by Jan Tervoort

Historicus, stadsgids (Amsterdam, Alkmaar) , zanger, blogger, schrijver